Verordening (EU) 2016/1011 wordt als volgt gewijzigd:
-
In artikel 3, lid 1, worden de volgende punten ingevoegd:
-
“EU-klimaattransitiebenchmark”: een benchmark die als EU-klimaattransitiebenchmark is aangemerkt en die aan de volgende vereisten voldoet:
-
de onderliggende activa zijn voor de toepassing van punt 1, b), ii), van dit lid en van artikel 19 ter, zodanig geselecteerd, gewogen of uitgesloten dat de daaruit voortvloeiende benchmarkportefeuille zich op een decarbonisatietraject bevindt, en
-
hij is samengesteld in overeenstemming met de minimumnormen die zijn neergelegd in de in artikel 19 bis, lid 2, bedoelde gedelegeerde handelingen.
-
-
“op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark”: een benchmark die als op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark is aangemerkt en die aan de volgende vereisten voldoet:
-
de onderliggende activa zijn voor de toepassing van punt 1, b), ii) van dit lid en van de in artikel 19 quater, bedoelde gedelegeerde handelingen zodanig geselecteerd, gewogen of uitgesloten dat de koolstofuitstoot van de daaruit voortvloeiende benchmarkportefeuille strookt met de doelstellingen van de in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering gesloten Overeenkomst van Parijs (de “Overeenkomst van Parijs”), die op 5 oktober 2016 door de Unie is goedgekeurd(*);
-
hij is samengesteld in overeenstemming met de minimumnormen die zijn neergelegd in de in artikel 19 bis, lid 2, bedoelde gedelegeerde handelingen, en
-
de activiteiten die verband houden met die onderliggende activa doen geen ernstige afbreuk aan andere ecologische, sociale en governancedoelstellingen (ESG-doelstellingen);
-
-
“decarboniseringstraject”: een meetbaar, wetenschappelijk onderbouwd en tijdgebonden traject met het oog op aanpassing aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs door het verminderen van de emissies uit groep 1, 2 en 3 en de koolstofemissies als bedoeld in punt 1, onder e), van bijlage III.
-
-
Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
-
lid 1 wordt gewijzigd als volgt:
-
het volgende punt wordt toegevoegd:
-
een toelichting over de wijze waarop de onder a) bedoelde essentiële aspecten van de methodologie voor elke benchmark of benchmarkgroep, uitgezonderd rentevoet- en valutawisselingsbenchmarks, de ESG-factoren weerspiegelen.”;
-
-
de volgende alinea wordt toegevoegd:
“Benchmarkbeheerders voldoen uiterlijk op 30 april 2020 aan het vereiste van de eerste alinea, onder d).”;
-
-
het volgende lid wordt ingevoegd:
“2 bis.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 49 gedelegeerde handelingen tot aanvulling van deze verordening vast te stellen door de minimuminhoud vast te stellen van de in lid 1, eerste alinea, onder d), van dit artikel bedoelde toelichting, alsook het te gebruiken standaardformaat.”.
-
-
In titel III wordt het volgende hoofdstuk ingevoegd:
1.De vereisten van bijlage III zijn van toepassing op het aanbieden van en bijdragen tot EU-klimaattransitiebenchmarks of op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, naast de vereisten van de titels II, III en IV.
2.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 49 gedelegeerde handelingen vast te stellen voor de aanvulling van deze verordening door de vaststelling van de minimumnormen voor EU-klimaattransitiebenchmarks of op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, ter precisering van:
-
de criteria voor de keuze van de onderliggende activa, waaronder indien van toepassing criteria ter uitsluiting van activa;
-
de criteria en de methode voor de weging van de onderliggende activa in de benchmark;
-
de vaststelling van het decarbonisatietraject voor de EU-klimaattransitiebenchmarks.
3.Benchmarkbeheerders die een EU-klimaattransitiebenchmark of een op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark aanbieden, voldoen uiterlijk op 30 april 2020 aan deze verordening;
Beheerders van EU-klimaattransitiebenchmarks gaan over tot het selecteren, wegen of uitsluiten van onderliggende activa die zijn uitgegeven door ondernemingen die uiterlijk op 31 december 2022 een decarbonisatietraject volgen, in overeenstemming met de volgende vereisten:
-
de ondernemingen maken binnen specifieke termijnen de te bereiken meetbare koolstofemissiereductiedoelstellingen openbaar;
-
de ondernemingen maken een vermindering van koolstofemissies openbaar die wordt opgesplitst tot op het niveau van de relevante operationele dochterondernemingen;
-
de ondernemingen maken jaarlijkse informatie openbaar over de vooruitgang met betrekking tot die doelstellingen;
-
de activiteiten met betrekking tot de onderliggende activa doen geen ernstige afbreuk aan andere ESG-doelstellingen.
1.De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 49 een gedelegeerde handeling vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door, met betrekking tot op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, vast te stellen welke sectoren moeten worden uitgesloten omdat zij geen meetbare koolstofemissiereductiedoelstellingen hebben, met specifieke termijnen die zijn afgestemd op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. De Commissie stelt die gedelegeerde handeling uiterlijk op 1 januari 2021 vast en zij werkt deze elke drie jaar bij.
2.Bij het opstellen van de in lid 1 bedoelde gedelegeerde handeling houdt de Commissie rekening met de werkzaamheden van de TEG.
In de Unie gevestigde beheerders die significante benchmarks aanbieden, vastgesteld op basis van de waarde van een of meer onderliggende activa of prijzen, streven ernaar uiterlijk op 1 januari 2022 een of meer EU-klimaattransitiebenchmarks aan te bieden.”.
-
-
In artikel 21, lid 3, wordt de derde alinea vervangen door:
“Aan het einde van deze periode evalueert de bevoegde autoriteit haar beslissing de beheerder te dwingen om de benchmark te blijven publiceren. De bevoegde autoriteit kan die periode indien nodig verlengen met een passende periode van niet meer dan twaalf maanden. De maximumperiode van verplicht beheer duurt niet langer dan vijf jaar.”.
-
Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:
-
in lid 6 wordt de tweede alinea vervangen door:
“De in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde maximumperiode van verplichte aanlevering duurt niet langer dan vijf jaar.”;
-
lid 10 wordt vervangen door:
“10.Ingeval de aanbieding van een cruciale benchmark moet worden stopgezet, blijft iedere onder toezicht staande contribuant aan die benchmark inputgegevens aanleveren gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen termijn, maar niet langer dan de in lid 6, tweede alinea, vastgestelde maximumtermijn van vijf jaar.”.
-
-
In artikel 27 worden de volgende leden ingevoegd:
“2 bis.Uiterlijk op 30 april 2020 bevat de benchmarkverklaring voor elk van de in lid 2 bedoelde vereisten een toelichting over de wijze waarop in elke aangeboden en gepubliceerde benchmark of benchmarkgroep ESG-factoren worden weerspiegeld. Voor benchmarks of benchmarkgroepen die geen ESG-doelstellingen nastreven, is het voldoende dat de benchmarkbeheerders in de benchmarkverklaring duidelijk aangeven dat zij zulke doelstellingen niet nastreven.
Indien er in de portefeuille van individuele benchmarkbeheerders geen EU-klimaattransitiebenchmark noch een op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark beschikbaar is, of als de individuele benchmarkbeheerder geen benchmarks heeft die ESG-doelstellingen nastreven of ESG-factoren in aanmerking nemen, wordt dit in de benchmarkverklaringen van alle door die beheerder aangeboden benchmarks vermeld. Voor significante aandelen- en obligatiebenchmarks, alsook voor de EU-klimaattransitiebenchmarks en op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, maken benchmarkbeheerders in hun benchmarkverklaringen details openbaar over de vraag of en in hoeverre een algemene mate van overeenstemming met de doelstelling van vermindering van de koolstofemissies of de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs wordt gewaarborgd, overeenkomstig de openbaarmakingsregels voor financiële producten in artikel 9, lid 3, van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad(*).
Uiterlijk op 31 december 2021 leggen benchmarkbeheerders voor elke benchmark of, in voorkomend geval, elke benchmarkgroep, uitgezonderd rentevoet- en valutawisselingsbenchmarks, in hun benchmarkverklaring uit op welke wijze de gebruikte methodologie is afgestemd op de koolstofemissiereductiedoelstelling of de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs bereikt.
2 ter.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 49 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door de nadere omschrijving van de krachtens lid 2 bis van dit artikel in de benchmarkverklaring te verstrekken informatie, alsook het te gebruiken standaardformaat voor verwijzingen naar ESG-factoren, om marktdeelnemers in staat te stellen weloverwogen keuzes te maken en om de technische haalbaarheid van de naleving van dat lid te waarborgen.
-
In artikel 42 wordt de eerste alinea van lid 1 vervangen door:
“1.Onverminderd de toezichtbevoegdheden van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 41 en het recht van de lidstaten om te voorzien in en het opleggen van strafrechtelijke sancties, verlenen de lidstaten overeenkomstig het nationale recht de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid om passende administratieve sancties op te leggen en andere administraties maatregelen te nemen met betrekking tot ten minste de volgende inbreuken:
-
inbreuken op de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 19 bis, 19 ter, 19 quater, 21, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29 of 34, indien van toepassing, en
-
verzuim om samen te werken of mee te werken aan een onderzoek of een inspectie of verzoek zoals bedoeld in artikel 41.”.
-
-
Artikel 49 wordt vervangen door:
1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.De in artikel 3, lid 2, artikel 13, lid 2 bis, artikel 19 bis, lid 2, artikel 19 quater, lid 1, artikel 20, lid 6, artikel 24, lid 2, artikel 27, lid 2 ter, artikel 33, lid 7, artikel 51, lid 6, en artikel 54, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 10 december 2019. De Commissie stelt uiterlijk 11 maart 2024 een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3.Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 2, artikel 13, lid 2 bis, artikel 19 bis, lid 2, artikel 19 quater, lid 1, artikel 20, lid 6, artikel 24, lid 2, artikel 27, lid 2 ter, artikel 33, lid 7, artikel 51, lid 6, en artikel 54, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegaties te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.Een overeenkomstig artikel 3, lid 2, artikel 13, lid 2 bis, artikel 19 bis, lid 2, artikel 19 quater, lid 1, artikel 20, lid 6, artikel 24, lid 2, artikel 27, lid 2 ter, artikel 33, lid 7, artikel 51, lid 6, of artikel 54, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.”.
-
Artikel 51 wordt als volgt gewijzigd:
-
de volgende leden worden ingevoegd:
“4 bis.Een aanbieder van een index mag tot en met 31 december 2021 doorgaan met het aanbieden van een bestaande benchmark die bij een door de Commissie overeenkomstig artikel 20 vastgestelde uitvoeringshandeling is erkend als een cruciale benchmark of, indien de aanbieder van een index een aanvraag voor een vergunning indient overeenkomstig lid 1, tenzij en totdat deze vergunning wordt geweigerd.
4 ter.Een bestaande benchmark die bij een door de Commissie overeenkomstig artikel 20 vastgestelde uitvoeringshandeling is erkend als een cruciale benchmark mag tot en met 31 december 2021 worden gebruikt voor bestaande en nieuwe financiële instrumenten, financiële overeenkomsten of voor prestatiemetingen van een beleggingsfonds of, indien de aanbieder van een index een aanvraag voor een vergunning indient overeenkomstig lid 1, tenzij en totdat deze vergunning wordt geweigerd.”;
-
lid 5 wordt vervangen door:
“5.Tenzij de Commissie een in artikel 30, lid 2 of 3, bedoeld gelijkwaardigheidsbesluit heeft genomen of een beheerder overeenkomstig artikel 32 is erkend of een benchmark overeenkomstig artikel 33 is bekrachtigd, is het gebruik in de Unie door onder toezicht staande entiteiten van een benchmark die wordt aangeboden door een in een derde land gevestigde beheerder, waar de benchmark al in de Unie wordt gebruikt als referentie voor financiële instrumenten, financiële overeenkomsten of voor prestatiemeting van een beleggingsfonds, uitsluitend toegestaan voor die financiële instrumenten, financiële overeenkomsten en prestatiemetingen van een beleggingsfonds die reeds naar de benchmark in de Unie verwijzen op 31 december 2021, of die vóór die datum een verwijzing naar die benchmark toevoegen.”.
-
-
In artikel 54 worden de volgende leden toegevoegd:
“4.Uiterlijk op 31 december 2022 evalueert de Commissie de minimumnormen voor EU-klimaattransitiebenchmarks en voor op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, om te waarborgen dat de selectie van de onderliggende activa in overeenstemming is met ecologisch duurzame investeringen zoals vastgelegd in een kader voor de hele Unie.
5.Vóór 31 december 2022 dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in over de gevolgen van deze verordening en de haalbaarheid van een ESG-benchmark, rekening houdend met het evoluerende karakter van duurzaamheidsindicatoren en de methoden die worden gebruikt voor het meten ervan. Dat verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
6.Uiterlijk op 1 april 2020 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de gevolgen van deze verordening voor de werking van benchmarks van derde landen in de Unie, onder meer over het gebruik dat door benchmarkbeheerders uit derde landen wordt gemaakt van de bekrachtiging, erkenning of gelijkwaardigheid, en over mogelijke tekortkomingen van het huidige kader. Dat verslag bevat een beoordeling van de gevolgen van de toepassing van artikel 51, leden 4 bis, 4 ter en 4 quater voor benchmarkbeheerders uit de Unie of uit derde landen, onder meer wat betreft een gelijk speelveld. Dat verslag bevat in het bijzonder een beoordeling van de vraag of het nodig is deze verordening te wijzigen, en gaat zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel.”.
-
De bijlagen worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.