Richtlijn (EU) 2015/849 wordt als volgt gewijzigd:
-
Punt 3 van artikel 2, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:
-
punt a) wordt vervangen door:
-
auditors, externe accountants en belastingadviseurs, alsmede iedere persoon die zich ertoe verbindt als voornaamste bedrijfs- of beroepsactiviteit, rechtstreeks of via andere met hem gelieerde personen materiële hulp, bijstand of advies op belastinggebied te verlenen;”;
-
-
punt d) wordt vervangen door:
-
vastgoedmakelaars, ook wanneer zij optreden als tussenpersoon bij de verhuur van onroerend goed, maar alleen met betrekking tot transacties waarvoor de maandelijkse huurprijs 10 000 EUR of meer bedraagt;”;
-
-
de volgende punten worden toegevoegd:
-
aanbieders die zich bezighouden met diensten voor het wisselen tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta;
-
aanbieders van bewaarportemonnees;
-
personen die handelen in of als tussenpersoon optreden bij de handel in kunstwerken, ook wanneer deze handel wordt uitgevoerd door kunstgalerijen en veilinghuizen, indien de waarde van de transactie of een reeks van onderling samenhangende transacties 10 000 EUR of meer bedraagt;
-
personen die kunstwerken opslaan of verhandelen of als tussenpersoon optreden bij de handel in kunstwerken wanneer deze wordt uitgevoerd door freeports, indien de waarde van de transactie of een reeks van onderling samenhangende transacties 10 000 EUR of meer bedraagt.”.
-
-
-
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
-
punt 4 wordt als volgt gewijzigd:
-
punt a) wordt vervangen door:
-
terroristische misdrijven, misdrijven in verband met een terroristische groepering en misdrijven in verband met terroristische activiteiten als bedoeld in de titels II en III van Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad(*);
-
-
punt c) wordt vervangen door:
-
de activiteiten van criminele organisaties als gedefinieerd in artikel 1, lid 1, van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad(*);
-
-
-
in punt 6 wordt punt b) vervangen door:
-
in het geval van trusts, alle volgende personen:
-
de oprichter(s) van de trust;
-
de trustee(s);
-
de eventuele protector(s);
-
de begunstigden; of voor zover de afzonderlijke personen die de begunstigden van de juridische constructie of de juridische entiteit zijn, nog niet zijn geïdentificeerd, de groep van personen in wier belang de juridische entiteit of de juridische constructie hoofdzakelijk werd opgericht of werkzaam is;
-
elke andere natuurlijke persoon die door directe of indirecte eigendom of via andere middelen uiteindelijke zeggenschap over de trust uitoefent;”;
-
-
-
punt 16 wordt vervangen door:
-
„elektronisch geld”: elektronisch geld als omschreven in punt 2 van artikel 2 van Richtlijn 2009/110/EG, maar met uitsluiting van monetaire waarde als bedoeld in artikel 1, leden 4 en 5, van die richtlijn;”;
-
-
de volgende punten worden toegevoegd:
- „18. „virtuele valuta” :
- een digitale weergave van waarde die niet door een centrale bank of een overheid wordt uitgegeven of gegarandeerd, die niet noodzakelijk aan een wettelijk vastgestelde valuta is gekoppeld en die niet de juridische status van valuta of geld heeft, maar die door natuurlijke of rechtspersonen als ruilmiddel wordt aanvaard en die elektronisch kan worden overgedragen, opgeslagen en verhandeld;
- 19. „aanbieder van een bewaarportemonnee” :
- een entiteit die diensten aanbiedt om namens haar cliënten cryptografische privésleutels te beveiligen om virtuele valuta aan te houden, op te slaan en over te dragen.”.
-
-
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
-
in lid 2 worden de punten b) en c) vervangen door:
-
de risico’s per relevante sector, inclusief, voor zover beschikbaar, door Eurostat verschafte ramingen van de in geld uitgedrukte omvang van de witwasactiviteiten in elke sector;
-
de middelen die door criminelen het vaakst voor het witwassen van illegale opbrengsten worden gebruikt, inclusief, voor zover beschikbaar, de middelen die specifiek worden gebruikt voor transacties tussen lidstaten en derde landen, ongeacht de identificatie van een derde land als een land met een hoog risico op grond van artikel 9, lid 2.”;
-
-
lid 3 wordt vervangen door:
„3.De Commissie stelt het in lid 1 bedoelde verslag beschikbaar aan de lidstaten en de meldingsplichtige entiteiten als hulpmiddel bij het identificeren, inzichtelijk maken, beheren en beperken van het risico op witwassen van geld en terrorismefinanciering, alsmede om andere belanghebbenden, waaronder nationale wetgevers, het Europees Parlement, de Europese toezichthoudende autoriteiten („ESA’s” — European Supervisory Authorities) en de vertegenwoordigers van de FIE’s een beter inzicht in de risico’s te geven. De verslagen worden uiterlijk zes maanden nadat zij aan de lidstaten beschikbaar zijn gesteld, openbaar gemaakt, met uitzondering van de onderdelen van de verslagen die vertrouwelijke informatie bevatten.”.
-
-
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
-
aan lid 4 worden de volgende punten toegevoegd:
-
doet elke lidstaat verslag van de institutionele structuur en de algemene procedures die binnen zijn AML/CFT-regelingen gelden, waaronder de FIE, belastingautoriteiten en openbare aanklagers, alsook van de hiervoor bestemde personele en financiële middelen, voor zover deze informatie beschikbaar is;
-
doet elke lidstaat verslag van de nationale inspanningen en middelen (personeel en begroting) die aan de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering zijn gewijd.”;
-
-
lid 5 wordt vervangen door:
„5.De lidstaten stellen de resultaten van hun risicobeoordelingen, inclusief de geactualiseerde versies daarvan, beschikbaar aan de Commissie, de ESA’s en de andere lidstaten. Andere lidstaten kunnen zo nodig relevante aanvullende informatie verstrekken aan de lidstaat die de risicobeoordeling uitvoert. Een samenvatting van de analyse wordt openbaar gemaakt. Die samenvatting bevat geen vertrouwelijke informatie.”.
-
-
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
-
lid 2 wordt vervangen door:
„2.De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 64 teneinde de derde landen met een hoog risico te identificeren, rekening houdend met strategische tekortkomingen, in het bijzonder op de volgende gebieden:
-
het juridische en institutionele AML/CFT-kader van het derde land, in het bijzonder:
-
de strafbaarstelling van witwassen en terrorismefinanciering;
-
de maatregelen voor cliëntenonderzoek;
-
de voorschriften inzake het bewaren van bewijsstukken;
-
de voorschriften inzake melding van verdachte transacties;
-
de beschikbaarheid van accurate en tijdige informatie over de uiteindelijk begunstigden van juridische entiteiten en juridische constructies voor de bevoegde autoriteiten;
-
-
de bevoegdheden en procedures van de bevoegde autoriteiten van het derde land op het gebied van de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, waaronder voldoende doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, alsook de wijze waarop het derde land in de praktijk samenwerkt en informatie uitwisselt met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten;
-
de doeltreffendheid van de AML/CFT-regeling van het derde land voor het aanpakken van het risico op witwassen en terrorismefinanciering.”;
-
-
lid 4 wordt vervangen door:
„4.De Commissie houdt bij het opstellen van de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handelingen rekening met relevante evaluaties, beoordelingen of rapporten die zijn opgesteld door internationale organisaties en opstellers van standaarden met bevoegdheden op het gebied van het voorkomen van witwassen en het bestrijden van terrorismefinanciering.”.
-
-
In artikel 10 wordt lid 1 vervangen door:
„1.De lidstaten verbieden hun kredietinstellingen en financiële instellingen anonieme rekeningen, anonieme spaarboekjes of anonieme kluizen bij te houden. De lidstaten verlangen in alle gevallen dat eigenaren en begunstigden van bestaande anonieme rekeningen, anonieme spaarboekjes of anonieme kluizen uiterlijk op 10 januari 2019 en in ieder geval voordat dergelijke rekeningen, spaarboekjes of kluizen op enigerlei wijze worden gebruikt, worden onderworpen aan cliëntenonderzoeksmaatregelen.”.
-
Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:
-
lid 1 wordt als volgt gewijzigd:
-
in de eerste alinea worden de punten a) en b) vervangen door:
-
het betalingsinstrument kan niet worden heropgeladen, of heeft een maandelijkse betalingstransactielimiet van 150 EUR die enkel kan worden gebruikt in die ene lidstaat;
-
het elektronisch opgeslagen bedrag bedraagt niet meer dan 150 EUR;”;
-
-
de tweede alinea wordt geschrapt;
-
-
lid 2 wordt vervangen door:
„2.De lidstaten zorgen ervoor dat de afwijking waarin lid 1 van dit artikel voorziet, niet van toepassing is in geval van terugbetaling in contanten, dan wel opname in contanten, van de monetaire waarde van het elektronisch geld indien het terug te betalen bedrag hoger is dan 50 EUR, of in geval van betalingstransacties op afstand als gedefinieerd in artikel 4, punt 6, van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad(*) indien het betaalde bedrag hoger is dan 50 EUR per transactie.
-
het volgende lid wordt toegevoegd:
„3.De lidstaten zien erop toe dat kredietinstellingen en financiële instellingen die als accepteerder optreden enkel betalingen aanvaarden die zijn verricht met anonieme prepaidkaarten die zijn uitgegeven in derde landen waar zulke kaarten voldoen aan vereisten die gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgesteld in de leden 1 en 2.
De lidstaten kunnen besluiten op hun grondgebied geen betalingen met anonieme prepaidkaarten te aanvaarden.”.
-
-
In artikel 13 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:
-
punt a) wordt vervangen door:
-
de identificatie van de cliënt en de verificatie van zijn identiteit op basis van documenten, gegevens of informatie uit een betrouwbare en onafhankelijke bron, met inbegrip van, voor zover beschikbaar, elektronische identificatiemiddelen, relevante vertrouwensdiensten zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad(*) of ieder ander identificatieproces dat veilig is, op afstand of langs elektronische weg plaatsvindt en door de relevante nationale autoriteiten is gereglementeerd, erkend, goedgekeurd of aanvaard;
-
-
aan het eind van punt b) wordt de volgende zin toegevoegd:
„Indien de geïdentificeerde uiteindelijk begunstigde een in artikel 3, punt 6, onder a), ii), bedoeld lid van het hoger leidinggevend personeel is, nemen de meldingsplichtige entiteiten de noodzakelijke redelijke maatregelen om de identiteit te verifiëren van de natuurlijke persoon die lid is van het hoger leidinggevend personeel, en documenteren zij welke acties zijn ondernomen en welke moeilijkheden eventueel tijdens het verificatieproces zijn ondervonden;”.
-
-
Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
-
in lid 1 wordt de volgende zin toegevoegd:
„Bij het aangaan van een nieuwe zakelijke relatie met een vennootschap of andere juridische entiteit, of een trust of een juridische constructie met een soortgelijke structuur of soortgelijke functies als een trust („soortgelijke juridische constructie”) waarvan op grond van artikel 30 of 31 informatie over de uiteindelijk begunstigden moet worden geregistreerd, verzamelen de meldingsplichtige entiteiten een bewijs van registratie of een uittreksel uit het register.”;
-
lid 5 wordt vervangen door:
„5.De lidstaten verlangen dat meldingsplichtige entiteiten cliëntenonderzoeksmaatregelen niet alleen toepassen op alle nieuwe cliënten, maar te gepasten tijde ook op bestaande cliënten naargelang van de risicogevoeligheid van deze cliënten, of wanneer de relevante omstandigheden van een cliënt veranderen, of wanneer de meldingsplichtige entiteit wettelijk verplicht is in de loop van het betrokken kalenderjaar contact op te nemen met de cliënt voor het evalueren van relevante informatie met betrekking tot de uiteindelijk begunstigde(n), of indien de meldingsplichtige entiteit hiertoe verplicht was uit hoofde van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad(*).
-
-
Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:
-
in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:
„1.In de in de artikelen 18 bis tot en met 24 bedoelde gevallen alsook in andere gevallen van hoger risico die door de lidstaten of de meldingsplichtige entiteiten worden vastgesteld, vereisen de lidstaten dat de meldingsplichtige entiteiten verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen toepassen om die risico’s op passende wijze te beheersen en te beperken.”;
-
lid 2 wordt vervangen door:
„2.De lidstaten verlangen dat meldingsplichtige entiteiten, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, de achtergrond en het doel onderzoeken van alle transacties die voldoen aan ten minste een van de volgende voorwaarden:
-
zij zijn complex;
-
zij zijn ongebruikelijk groot;
-
zij vertonen een ongebruikelijk patroon;
-
zij hebben geen duidelijk economisch of rechtmatig doel.
In het bijzonder verhogen meldingsplichtige entiteiten de intensiteit en de aard van de monitoring van de zakelijke relatie, teneinde te bepalen of die transacties of activiteiten verdacht blijken.”.
-
-
-
Het volgende artikel wordt ingevoegd:
1.Met betrekking tot zakelijke relaties of transacties die verband houden met op grond van artikel 9, lid 2, geïdentificeerde derde landen met een hoog risico, vereisen de lidstaten dat meldingsplichtige entiteiten de volgende verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen toepassen:
-
aanvullende informatie over de cliënt en de uiteindelijk begunstigde(n) inwinnen;
-
aanvullende informatie over de beoogde aard van de zakelijke relatie inwinnen;
-
informatie over de bron van de geldmiddelen en de bron van het vermogen van de cliënt en de uiteindelijk begunstigde(n) inwinnen;
-
informatie over de redenen voor de beoogde of verrichte transacties inwinnen;
-
goedkeuring van het hoger leidinggevend personeel verkrijgen voor het aangaan of voortzetten van de zakelijke relatie;
-
verscherpte monitoring verrichten van de zakelijke relatie door het aantal en de frequentie van de controles te verhogen en door transactiepatronen te selecteren die nader onderzocht moeten worden.
De lidstaten kunnen verlangen dat meldingsplichtige entiteiten er in voorkomend geval voor zorgen dat de eerste betaling wordt verricht via een rekening op naam van de cliënt bij een kredietinstelling waarvoor cliëntenonderzoeksnormen gelden die niet minder streng zijn dan de in deze richtlijn vastgestelde normen.
2.In aanvulling op de in lid 1 bedoelde maatregelen en in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie vereisen de lidstaten dat meldingsplichtige entiteiten indien van toepassing een of meer van de volgende aanvullende risicobeperkende maatregelen toepassen op personen en juridische entiteiten die transacties uitvoeren die verband houden met op grond van artikel 9, lid 2, geïdentificeerde derde landen met een hoog risico. Het gaat hierbij om een of meer van de volgende maatregelen:
-
de toepassing van aanvullende elementen van verscherpt cliëntenonderzoek;
-
de invoering van verscherpte relevante meldingsmechanismen of het systematisch melden van financiële transacties;
-
de beperking van zakelijke relaties of transacties met natuurlijke personen of juridische entiteiten uit op grond van artikel 9, lid 2, geïdentificeerde derde landen met een hoog risico.
3.In aanvulling op de in lid 1 bedoelde maatregelen passen de lidstaten, indien van toepassing en met inachtneming van de internationale verplichtingen van de Unie, een of meer van de volgende maatregelen toe ten aanzien van op grond van artikel 9, lid 2, geïdentificeerde derde landen met een hoog risico:
-
de vestiging weigeren van dochterondernemingen, bijkantoren of vertegenwoordigingskantoren van meldingsplichtige entiteiten uit het betrokken land, of anderszins rekening houden met het feit dat de betrokken meldingsplichtige entiteit afkomstig is uit een land dat niet over adequate AML/CFT-regelingen beschikt;
-
meldingsplichtige entiteiten verbieden bijkantoren of vertegenwoordigingskantoren in het betrokken land te vestigen, of anderszins rekening houden met het feit dat het betrokken bijkantoor of het betrokken vertegenwoordigingskantoor zich in een land zou bevinden dat niet over adequate AML/CFT-regelingen beschikt;
-
verscherpt toezichtonderzoek of verscherpte vereisten inzake externe audit voorschrijven voor in het betrokken land gevestigde bijkantoren en dochterondernemingen van meldingsplichtige entiteiten;
-
hogere eisen inzake externe audit voorschrijven voor financiële groepen ten aanzien van hun vestigingen of dochterondernemingen in het betrokken land;
-
kredietinstellingen en financiële instellingen verplichten de correspondentenrelaties met respondentinstellingen in het betrokken land te herzien en te wijzigen of, indien nodig, te beëindigen.
4.Bij het vaststellen of toepassen van de in de leden 2 en 3 vastgestelde maatregelen houden de lidstaten in voorkomend geval rekening met de relevante evaluaties, beoordelingen en rapporten die zijn opgesteld door internationale organisaties en opstellers van standaarden met bevoegdheden op het gebied van het voorkomen van witwassen en het bestrijden van terrorismefinanciering, met betrekking tot de risico’s die het afzonderlijke derde land vertegenwoordigt.
5.De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte alvorens de in de leden 2 en 3 vastgestelde maatregelen vast te stellen of toe te passen.”.
-
-
in artikel 19 wordt het inleidend gedeelte vervangen door:
„Wat betreft grensoverschrijdende correspondentenrelaties met een respondentinstelling uit een derde land waarbij betalingen worden verricht, verlangen de lidstaten, naast de cliëntenonderzoeksmaatregelen als vastgelegd in artikel 13, dat hun kredietinstellingen en financiële instellingen bij het aangaan van een zakelijke relatie:”.
-
Het volgende artikel wordt ingevoegd:
1.Elke lidstaat publiceert een lijst met de exacte functies die overeenkomstig zijn nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen als prominente publieke functies voor de toepassing van artikel 3, punt 9, worden aangemerkt, en houdt die lijst up-to-date. De lidstaten verzoeken de internationale organisaties die op hun grondgebied geaccrediteerd zijn een lijst van prominente publieke functies bij die internationale organisatie voor de toepassing van artikel 3, punt 9, op te stellen en up-to-date te houden. Die lijsten worden aan de Commissie toegezonden en kunnen openbaar worden gemaakt.
2.De Commissie stelt een lijst op van de exacte functies die als prominente publieke functies op het niveau van de instellingen en organen van de Unie worden aangemerkt en houdt die lijst up-to-date. Deze lijst omvat ook alle functies die kunnen worden toevertrouwd aan vertegenwoordigers van derde landen en van internationale organen die op het niveau van de Unie geaccrediteerd zijn.
3.Op basis van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde lijsten stelt de Commissie één lijst samen van alle prominente publieke functies voor de toepassing van artikel 3, punt 9. Deze ene lijst wordt openbaar gemaakt.
4.Met de functies die op de in lid 3 van dit artikel bedoelde lijst staan, zal worden omgegaan overeenkomstig de voorwaarden van artikel 41, lid 2.”.
-
In artikel 27 wordt lid 2 vervangen door:
„2.De lidstaten zorgen ervoor dat meldingsplichtige entiteiten waarnaar de cliënt wordt doorverwezen, toereikende stappen zetten om ervoor te zorgen dat de derde desgevraagd onmiddellijk relevante kopieën overlegt van identificatie- en verificatiegegevens, met inbegrip van, indien beschikbaar, informatie verkregen door middel van elektronische identificatiemiddelen, relevante vertrouwensdiensten zoals bedoeld in Verordening (EU) nr. 910/2014 of ieder ander identificatieproces dat veilig is, op afstand of langs elektronische weg plaatsvindt en door de relevante nationale autoriteiten is gereglementeerd, erkend, goedgekeurd of aanvaard.”.
-
Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:
-
lid 1 wordt als volgt gewijzigd:
-
de eerste alinea wordt vervangen door:
„De lidstaten zorgen ervoor dat binnen hun grondgebied opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten toereikende, accurate en actuele informatie over wie hun uiteindelijk begunstigden zijn, inwinnen en bijhouden, waaronder detailgegevens over de door de uiteindelijk begunstigden gehouden economische belangen. De lidstaten zorgen ervoor dat inbreuken op dit artikel worden onderworpen aan doeltreffende, evenredige en afschrikkende maatregelen of sancties.”;
-
de volgende alinea wordt toegevoegd:
„De lidstaten verlangen dat de uiteindelijk begunstigden van vennootschappen of andere juridische entiteiten, onder meer door aandelen, stemrechten, eigendomsbelangen, het houden van toonderaandelen, of via zeggenschap met andere middelen, deze vennootschappen of andere juridische entiteiten alle informatie verstrekken die zij nodig hebben om aan de vereisten van de eerste alinea te voldoen.”;
-
-
lid 4 wordt vervangen door:
„4.De lidstaten verlangen dat de in het in lid 3 bedoelde centraal register bijgehouden informatie toereikend, accuraat en actueel is, en voorzien daartoe in mechanismen. Deze mechanismen houden onder meer in dat de meldingsplichtige entiteiten en, indien nodig en voor zover dit vereiste hun taken niet onnodig doorkruist, de bevoegde autoriteiten verplicht zijn melding te maken van iedere discrepantie die zij aantreffen tussen de informatie over uiteindelijk begunstigden in de centrale registers en de informatie over uiteindelijk begunstigden waarover zij beschikken. Wanneer er discrepanties worden gemeld, zorgen de lidstaten ervoor dat er passende maatregelen worden genomen om de discrepanties tijdig te verhelpen en dat er zo nodig ondertussen een specifieke vermelding in het centrale register wordt opgenomen.”;
-
lid 5 wordt vervangen door:
„5.De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie over de uiteindelijk begunstigde in alle gevallen toegankelijk is voor:
-
de bevoegde autoriteiten en de FIE’s, zonder enige beperking;
-
de meldingsplichtige entiteiten, in het kader van het cliëntenonderzoek overeenkomstig hoofdstuk II;
-
elk lid van de bevolking.
De onder c) bedoelde personen krijgen toegang tot ten minste de naam, de geboortemaand en het geboortejaar, de woonstaat en de nationaliteit van de uiteindelijk begunstigde, alsmede tot de aard en omvang van het door de uiteindelijk begunstigde gehouden economische belang.
De lidstaten kunnen onder in het nationale recht vast te stellen voorwaarden toegang verlenen tot aanvullende informatie aan de hand waarvan de uiteindelijk begunstigde kan worden geïdentificeerd. Die aanvullende informatie omvat ten minste de geboortedatum of de contactgegevens, overeenkomstig de regels inzake gegevensbescherming.”;
-
-
het volgende lid wordt ingevoegd:
„5 bis.De lidstaten kunnen ervoor kiezen om de in hun in lid 3 bedoelde nationale registers opgeslagen informatie beschikbaar te stellen op voorwaarde dat de persoon die inzage wenst, zich online registreert en een vergoeding betaalt, die niet meer mag bedragen dan de administratieve kosten voor het beschikbaar stellen van de informatie, met inbegrip van de kosten voor het bijhouden en ontwikkelen van het register.”;
-
lid 6 wordt vervangen door:
„6.De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten en de FIE’s tijdig en onbeperkt toegang hebben tot alle in het in lid 3 bedoelde centrale register bijgehouden informatie zonder dat de betrokken entiteit daarvan weet heeft. De lidstaten verlenen de meldingsplichtige entiteiten eveneens tijdig toegang wanneer deze cliëntenonderzoeksmaatregelen nemen overeenkomstig hoofdstuk II.
De bevoegde autoriteiten die toegang krijgen tot het in lid 3 bedoelde centraal register zijn de publieke autoriteiten waaraan taken zijn toegewezen op het gebied van de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, alsook belastingautoriteiten, toezichthouders van meldingsplichtige entiteiten en autoriteiten die de opdracht hebben het witwassen van geld, daarmee verband houdende basisdelicten en terrorismefinanciering te onderzoeken of te vervolgen en criminele activa op te sporen en in beslag te nemen of te bevriezen en te confisqueren.”;
-
lid 7 wordt vervangen door:
„7.De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten en de FIE’s in staat zijn om de informatie als bedoeld in de leden 1 en 3 tijdig en kosteloos aan de bevoegde autoriteiten en de FIE’s van andere lidstaten te verstrekken.”;
-
de leden 9 en 10 worden vervangen door:
„9.In uitzonderlijke, in nationaal recht vast te stellen omstandigheden kunnen de lidstaten, indien de in lid 5, eerste alinea, onder b) en c), bedoelde toegang de uiteindelijk begunstigde blootstelt aan een onevenredig risico, een risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie of indien de uiteindelijk begunstigde minderjarig of anderszins handelingsonbekwaam is, per geval voorzien in een uitzondering op die toegang voor alle of een gedeelte van de informatie over de uiteindelijk begunstigde. De lidstaten zorgen ervoor dat deze uitzonderingen worden verleend na een gedetailleerde beoordeling van de uitzonderlijke aard van de omstandigheden. Het recht op een bestuurlijke toetsing van het besluit over de uitzondering en op een doeltreffende voorziening in rechte wordt gegarandeerd. Een lidstaat die uitzonderingen heeft verleend, publiceert jaarlijkse statistische gegevens over het aantal uitzonderingen die zijn verleend en met welke redenen, en brengt aan de Commissie verslag uit over deze gegevens.
Op grond van de eerste alinea van dit lid verleende uitzonderingen zijn niet van toepassing op kredietinstellingen en financiële instellingen, noch op de in artikel 2, lid 1, punt 3), onder b), bedoelde meldingsplichtige entiteiten die openbare ambtenaren zijn.
10.De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 3 van dit artikel bedoelde centrale registers worden gekoppeld via het bij artikel 22, lid 1, van Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad(*) ingestelde Europees centraal platform. De centrale registers van de lidstaten worden aan het platform gekoppeld overeenkomstig de technische specificaties en procedures die zijn bepaald in door de Commissie overeenkomstig artikel 24 van Richtlijn (EU) 2017/1132 en artikel 31 bis van deze richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen.
De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde informatie beschikbaar is via het op grond van artikel 22, lid 1, van Richtlijn (EU) 2017/1132 ingestelde systeem van gekoppelde registers, overeenkomstig de nationale wetgeving van de lidstaten tot omzetting van de leden 5, 5 bis en 6 van het onderhavige artikel.
De in lid 1 bedoelde informatie blijft minimaal vijf jaar en maximaal tien jaar nadat de vennootschap of andere juridische entiteit uit het register is geschrapt, toegankelijk via de nationale registers en via het systeem van gekoppelde registers. De lidstaten werken onderling en met de Commissie samen met het oog op het verwezenlijken van de verschillende soorten toegang overeenkomstig dit artikel.
-
-
Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:
-
lid 1 wordt vervangen door:
„1.De lidstaten zorgen ervoor dat het onderhavige artikel van toepassing is op trusts en andere soorten juridische constructies, zoals onder meer fiducie, bepaalde soorten Treuhand of fideicomiso, wanneer die een soortgelijke structuur of functies als trusts hebben. Lidstaten identificeren de kenmerken van dergelijke juridische constructies die door hun recht worden beheerst, teneinde te bepalen of deze juridische constructies een soortgelijke structuur of soortgelijke functies hebben als trusts.
Elke lidstaat verlangt dat trustees van een express trust die in die lidstaat wordt beheerd, toereikende, accurate en actuele informatie over de uiteindelijk begunstigden van de trust inwinnen en bijhouden. Die informatie omvat de identiteit van:
-
de oprichter(s) van de trust;
-
de trustee(s);
-
de (eventuele) protector(s);
-
de begunstigden of groep van begunstigden, en
-
elke andere natuurlijke persoon die effectief zeggenschap over de trust uitoefent.
De lidstaten zorgen ervoor dat inbreuken op dit artikel worden onderworpen aan doeltreffende, evenredige en afschrikkende maatregelen of sancties.”;
-
-
lid 2 wordt vervangen door:
„2.De lidstaten zorgen ervoor dat trustees of personen die vergelijkbare posities hebben in soortgelijke juridische constructies als bedoeld in lid 1 van dit artikel, aan de meldingsplichtige entiteiten hun status bekendmaken en de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie snel verstrekken wanneer zij in de hoedanigheid van trustee of persoon die een vergelijkbare positie bekleedt in het kader van een soortgelijke juridische constructie een zakelijke relatie aangaan of een occasionele transactie boven de in artikel 11, onder b), c) en d), vastgestelde drempels uitvoeren.”;
-
het volgende lid wordt ingevoegd:
„3 bis.De lidstaten verlangen dat de informatie over de uiteindelijk begunstigde van express trusts en soortgelijke juridische constructies als bedoeld in lid 1 wordt bijgehouden in een centraal register van uiteindelijk begunstigden dat is opgezet door de lidstaat waar de trustee van de trust of de persoon die een vergelijkbare positie bekleedt in het kader van een soortgelijke juridische constructie gevestigd of woonachtig is.
Indien de plaats van vestiging of de woonplaats van de trustee van de trust of de persoon die een vergelijkbare positie bekleedt in het kader van een soortgelijke juridische constructie buiten de Unie gelegen is, wordt de in lid 1 bedoelde informatie bijgehouden in een centraal register dat is opgezet door de lidstaat waar de trustee van de trust of de persoon die een vergelijkbare positie bekleedt in het kader van een soortgelijke juridische constructie een zakelijke relatie aangaat of onroerend goed verwerft namens de trust of de soortgelijke juridische constructie.
Indien de trustees van een trust of de personen die vergelijkbare posities bekleden in het kader van een soortgelijke juridische constructie in verschillende lidstaten gevestigd of woonachtig zijn of indien de trustee van de trust of de persoon die een vergelijkbare positie bekleedt in het kader van een soortgelijke juridische constructie in verschillende lidstaten verscheidene zakelijke relaties aangaat namens de trust of soortgelijke juridische constructie, kan een bewijs van registratie of een uittreksel van de informatie over de uiteindelijk begunstigde die door één lidstaat in een register wordt bijgehouden, voldoende worden geacht om ervan uit te gaan dat aan de registratieverplichting is voldaan.”;
-
lid 4 wordt vervangen door:
„4.De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie over de uiteindelijk begunstigde van een trust of soortgelijke juridische constructie in alle gevallen toegankelijk is voor:
-
de bevoegde autoriteiten en de FIE’s, zonder enige beperking;
-
de meldingsplichtige entiteiten, in het kader van het cliëntenonderzoek overeenkomstig hoofdstuk II;
-
elke natuurlijke of rechtspersoon die een legitiem belang kan aantonen;
-
elke natuurlijke of rechtspersoon die een schriftelijk verzoek indient met betrekking tot een trust of soortgelijke juridische constructie die een zeggenschapsdeelneming heeft in een andere dan de in artikel 30, lid 1, bedoelde vennootschap of andere juridische entiteit, hetzij door rechtstreekse of indirecte eigendom, met inbegrip van het houden van toonderaandelen, hetzij via zeggenschap met andere middelen.
De informatie die voor de onder c) en d) van de eerste alinea bedoelde natuurlijke of rechtspersonen toegankelijk is, bestaat uit de naam, de geboortemaand en het geboortejaar, de woonstaat en de nationaliteit van de uiteindelijk begunstigde, alsmede de aard en omvang van het door de uiteindelijk begunstigde gehouden economische belang.
De lidstaten kunnen onder in het nationale recht vast te stellen voorwaarden voorzien in toegang tot aanvullende informatie aan de hand waarvan de uiteindelijk begunstigde kan worden geïdentificeerd. Die aanvullende informatie omvat ten minste de geboortedatum of de contactgegevens, overeenkomstig de regels inzake gegevensbescherming. De lidstaten kunnen overeenkomstig hun nationale recht een ruimere toegang tot de in het register bijgehouden informatie toestaan.
De bevoegde autoriteiten die toegang krijgen tot het in lid 3 bis bedoelde centraal register zijn de publieke autoriteiten waaraan taken zijn toegewezen op het gebied van de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, alsook belastingautoriteiten, toezichthouders van meldingsplichtige entiteiten en autoriteiten die de opdracht hebben witwassen, daarmee verband houdende basisdelicten en terrorismefinanciering te onderzoeken of te vervolgen en criminele activa op te sporen, in beslag te nemen of te bevriezen en te confisqueren.”;
-
-
het volgende lid wordt ingevoegd:
„4 bis.De lidstaten kunnen ervoor kiezen om de in hun in lid 3 bis bedoelde nationale registers opgeslagen informatie beschikbaar te stellen op voorwaarde dat de persoon die inzage wenst, zich online registreert en een vergoeding betaalt, die niet meer mag bedragen dan de administratieve kosten voor het beschikbaar stellen van de informatie, met inbegrip van de kosten voor het bijhouden en ontwikkelen van het register.”;
-
lid 5 wordt vervangen door:
„5.De lidstaten verlangen dat de in het in lid 3 bis bedoelde centraal register bijgehouden informatie toereikend, accuraat en actueel is, en voorzien daartoe in mechanismen. Deze mechanismen houden onder meer in dat meldingsplichtige entiteiten en, indien nodig en voor zover dit vereiste hun taken niet onnodig doorkruist, de bevoegde autoriteiten melding moeten maken van iedere discrepantie die zij aantreffen tussen de informatie over uiteindelijk begunstigden in de centrale registers en de informatie over uiteindelijk begunstigden waarover zij beschikken. Wanneer er discrepanties worden gemeld, zorgen de lidstaten ervoor dat er passende maatregelen worden genomen om de discrepanties tijdig te verhelpen en dat er zo nodig ondertussen een specifieke vermelding in het centrale register wordt opgenomen.”;
-
lid 7 wordt vervangen door:
„7.De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten en de FIE’s in staat zijn om de informatie als bedoeld in de leden 1 en 3 tijdig en kosteloos aan de bevoegde autoriteiten en de FIE’s van andere lidstaten te verstrekken.”;
-
het volgende lid wordt ingevoegd:
„7 bis.In uitzonderlijke, in nationaal recht vast te stellen omstandigheden kunnen de lidstaten, indien de in lid 4, eerste alinea, onder b), c) en d), bedoelde toegang de uiteindelijk begunstigde blootstelt aan een onevenredig risico, een risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie of indien de uiteindelijk begunstigde minderjarig of anderszins handelingsonbekwaam is, per geval voorzien in een uitzondering op die toegang voor alle of een gedeelte van de informatie over de uiteindelijk begunstigde. De lidstaten zorgen ervoor dat dergelijke uitzonderingen worden verleend na een gedetailleerde beoordeling van de uitzonderlijke aard van de omstandigheden. Het recht op een bestuurlijke toetsing van het besluit over de uitzondering en op een doeltreffende voorziening in rechte wordt gegarandeerd. Een lidstaat die uitzonderingen heeft verleend, publiceert jaarlijkse statistische gegevens over het aantal uitzonderingen dat is verleend en met welke redenen, en brengt aan de Commissie verslag uit over deze gegevens.
Op grond van de eerste alinea verleende uitzonderingen zijn niet van toepassing op kredietinstellingen en financiële instellingen, noch op de in artikel 2, lid 1, punt 3, onder b), bedoelde meldingsplichtige entiteiten die openbare ambtenaren zijn.
Wanneer een lidstaat besluit te voorzien in een uitzondering overeenkomstig de eerste alinea, beperkt hij niet de toegang die bevoegde autoriteiten en FIE’s hebben tot informatie.”;
-
lid 8 wordt geschrapt;
-
lid 9 wordt vervangen door:
„9.De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 3 bis van dit artikel bedoelde centrale registers worden gekoppeld via het bij artikel 22, lid 1, van Richtlijn (EU) 2017/1132 ingestelde Europees centraal platform. De centrale registers van de lidstaten worden aan het platform gekoppeld overeenkomstig de technische specificaties en procedures die zijn bepaald in door de Commissie overeenkomstig artikel 24 van Richtlijn (EU) 2017/1132 en artikel 31 bis van deze Richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen.
De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde informatie beschikbaar is via het bij artikel 22, lid 2, van Richtlijn (EU) 2017/1132 ingestelde systeem van gekoppelde registers, overeenkomstig de nationale wetgeving van de lidstaten tot omzetting van de leden 4 en 5 van dit artikel.
De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat enkel de in lid 1 bedoelde informatie die actueel is en die betrekking heeft op de werkelijke uiteindelijk begunstigden, beschikbaar wordt gesteld via hun nationale registers en via het systeem van gekoppelde registers, en dat de toegang tot die informatie in overeenstemming is met de regels inzake gegevensbescherming.
De in lid 1 bedoelde informatie blijft minimaal vijf jaar en maximaal tien jaar nadat de gronden voor registratie van de informatie over de uiteindelijk begunstigden als bedoeld in lid 3 bis hebben opgehouden te bestaan, toegankelijk via de nationale registers en via het systeem van gekoppelde registers. De lidstaten werken met de Commissie samen met het oog op het verwezenlijken van de verschillende soorten toegang overeenkomstig de leden 4 en 4 bis.”;
-
het volgende lid wordt toegevoegd:
„10.De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 10 juli 2019 op de hoogte van de categorieën, de beschrijving van de kenmerken, de naam en — indien van toepassing — de rechtsgrondslag van de in lid 1 bedoelde trusts en soortgelijke juridische constructies. De Commissie publiceert de geconsolideerde lijst van deze trusts en soortgelijke juridische constructies uiterlijk op 10 september 2019 in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Uiterlijk op 26 juni 2020 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin wordt beoordeeld of alle in lid 1 bedoelde trusts en soortgelijke juridische constructies die door het recht van de lidstaten worden beheerst, naar behoren werden geïdentificeerd en aan de in deze richtlijn vastgestelde verplichtingen werden onderworpen. Zo nodig neemt de Commissie naar aanleiding van de bevindingen van dit verslag de nodige maatregelen.”.
-
-
Het volgende artikel wordt ingevoegd:
Indien nodig stelt de Commissie, in aanvulling op de uitvoeringshandelingen die zij overeenkomstig artikel 24 van Richtlijn (EU) 2017/1132 en in overeenstemming met het toepassingsgebied van de artikelen 30 en 31 van deze richtlijn vaststelt, door middel van uitvoeringshandelingen de nodige technische specificaties en procedures vast om de centrale registers van de lidstaten te koppelen als bedoeld in artikel 30, lid 10, en artikel 31, lid 9, met betrekking tot:
-
de technische specificatie ter bepaling van de reeks technische gegevens die nodig zijn om het platform zijn taken te laten vervullen alsook ter bepaling van de methode voor de opslag, het gebruik en de bescherming van die gegevens;
-
de gemeenschappelijke criteria aan de hand waarvan informatie over de uiteindelijk begunstigden beschikbaar is via het systeem van gekoppelde registers, afhankelijk van de mate van toegang die door de lidstaten wordt verleend;
-
de technische details over de wijze waarop de informatie over uiteindelijk begunstigden beschikbaar moet worden gesteld;
-
de technische voorwaarden inzake de beschikbaarheid van de door het systeem van gekoppelde registers te verlenen diensten;
-
de technische modaliteiten voor de implementatie van de verschillende soorten toegang tot informatie over uiteindelijk begunstigden op grond van artikel 30, lid 5, en artikel 31, lid 4;
-
de wijze van betaling indien er overeenkomstig artikel 30, lid 5 bis, en artikel 31, lid 4 bis, een vergoeding moet worden betaald om toegang tot informatie over de uiteindelijk begunstigden te krijgen, rekening houdend met de beschikbare betalingsfaciliteiten, zoals betalingstransacties op afstand.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 64 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
De Commissie streeft er in haar uitvoeringshandelingen naar reeds bewezen technologie en bestaande praktijken te hergebruiken. De Commissie zorgt ervoor dat de te ontwikkelen systemen geen hogere kosten met zich meebrengen dan wat absoluut noodzakelijk is om deze richtlijn ten uitvoer te leggen. De uitvoeringshandelingen van de Commissie worden gekenmerkt door transparantie en uitwisseling van ervaringen en informatie tussen de Commissie en de lidstaten.”.
-
-
In artikel 32 wordt het volgende lid toegevoegd:
„9.Onverminderd artikel 34, lid 2, is elke FIE in het kader van haar taken in staat informatie van een meldingsplichtige entiteit op te vragen, te verkrijgen en te gebruiken voor het in lid 1 van dit artikel vastgestelde doel, ook indien er geen voorafgaande melding wordt gedaan op grond van artikel 33, lid 1, onder a), of artikel 34, lid 1.”.
-
Het volgende artikel wordt ingevoegd:
1.De lidstaten voorzien in gecentraliseerde automatische mechanismen, zoals centrale registers of centrale elektronische systemen voor gegevensontsluiting, die de tijdige identificatie mogelijk maken van alle natuurlijke of rechtspersonen die houder zijn van of zeggenschap hebben over betaalrekeningen en bankrekeningen met een IBAN-identificatienummer, zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad(*), alsook over kluizen die worden aangehouden door een kredietinstelling op hun grondgebied. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de kenmerken van die nationale mechanismen.
2.De lidstaten waarborgen dat de informatie die wordt bijgehouden in de in lid 1 van dit artikel bedoelde gecentraliseerde mechanismen rechtstreeks, onmiddellijk en ongefilterd toegankelijk is voor de nationale FIE’s. Deze informatie is ook toegankelijk voor de nationale bevoegde autoriteiten met het oog op het nakomen van hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn. De lidstaten waarborgen dat elke FIE in staat is de informatie die wordt bijgehouden in de in lid 1 van dit artikel bedoelde gecentraliseerde mechanismen, tijdig aan andere FIE’s te verstrekken overeenkomstig artikel 53.
3.De volgende informatie is toegankelijk en doorzoekbaar via de in lid 1 bedoelde gecentraliseerde mechanismen:
- —betreffende de houder van de cliëntenrekening en iedere persoon die zegt namens de cliënt te handelen:
- de naam, aangevuld met hetzij de andere identificatiegegevens die vereist zijn krachtens de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 13, lid 1, onder a), hetzij een uniek identificatienummer;
- —betreffende de uiteindelijk begunstigde van de houder van de cliëntenrekening:
- de naam, aangevuld met hetzij de andere identificatiegegevens die vereist zijn krachtens de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 13, lid 1, onder b), hetzij een uniek identificatienummer;
- —betreffende de bank- of betaalrekening:
- het IBAN-nummer en de datum van de opening en van de sluiting van de rekening;
- —betreffende de kluis:
- de naam van de huurder, aangevuld met de andere identificatiegegevens die vereist zijn krachtens de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 13, lid 1, of een uniek identificatienummer, en de looptijd van de huur.
4.De lidstaten kunnen overwegen te verlangen dat andere informatie die essentieel wordt geacht opdat de FIE’s en de bevoegde autoriteiten hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn kunnen nakomen, via de gecentraliseerde mechanismen toegankelijk en doorzoekbaar is.
5.Uiterlijk op 26 juni 2020 dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in met een evaluatie van de voorwaarden en de technische kenmerken en procedures die nodig zijn voor een veilige en doeltreffende koppeling van de gecentraliseerde automatische mechanismen. Dit verslag gaat zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
-
het volgende artikel wordt ingevoegd:
1.De lidstaten verlenen de FIE’s en de bevoegde autoriteiten toegang tot informatie die het mogelijk maakt alle natuurlijke of rechtspersonen die eigenaar zijn van onroerend goed, tijdig te identificeren, onder meer door middel van registers of elektronische systemen voor gegevensontsluiting voor zover dergelijke registers of systemen beschikbaar zijn.
2.Uiterlijk op 31 december 2020 dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in waarin wordt beoordeeld of een harmonisatie van de informatie in de registers noodzakelijk en evenredig is en of de koppeling van die registers noodzakelijk is. Dit verslag gaat zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel.”.
-
In artikel 33, lid 1, wordt punt b) vervangen door:
-
de FIE op haar verzoek rechtstreeks alle noodzakelijke informatie te verstrekken.”.
-
-
Aan artikel 34 wordt het volgende lid toegevoegd:
„3.Door de lidstaten aangewezen zelfregulerende organen publiceren jaarlijks een verslag met informatie over:
-
de krachtens de artikelen 58, 59 en 60 genomen maatregelen;
-
het aantal ontvangen meldingen van inbreuken als bedoeld in artikel 61, in voorkomend geval;
-
het aantal meldingen dat het in lid 1 bedoelde zelfregulerende orgaan heeft ontvangen en het aantal meldingen dat het zelfregulerende orgaan aan de FIE heeft doorgezonden, in voorkomend geval;
-
in voorkomend geval, het aantal en een beschrijving van de maatregelen die krachtens de artikelen 47 en 48 zijn genomen om te controleren of de meldingsplichtige entiteiten hebben voldaan aan hun verplichtingen uit hoofde van:
-
de artikelen 10 tot en met 24 (cliëntenonderzoek);
-
de artikelen 33, 34 en 35 (melding van verdachte transacties);
-
artikel 40 (bewaring van bewijsstukken), en
-
de artikelen 45 en 46 (interne controles).”.
-
-
-
Artikel 38 wordt vervangen door:
1.De lidstaten zorgen ervoor dat personen, met inbegrip van werknemers en vertegenwoordigers van de meldingsplichtige entiteit die hetzij intern, hetzij aan de FIE vermoedens van witwassen of terrorismefinanciering melden, wettelijk worden beschermd tegen bedreigingen, vergeldingsmaatregelen of vijandige acties, en in het bijzonder tegen nadelig of discriminerend optreden van de werkgever.
2.De lidstaten zorgen ervoor dat personen die aan bedreigingen, vergeldingsmaatregelen, vijandige acties of nadelig of discriminerend optreden van de werkgever zijn blootgesteld omdat zij intern of aan de FIE vermoedens van witwassen of terrorismefinanciering hebben gemeld, op veilige wijze een klacht kunnen indienen bij de respectievelijke bevoegde autoriteiten. Onverminderd de vertrouwelijkheid van de door de FIE verzamelde informatie, dragen de lidstaten er tevens zorg voor dat dergelijke personen recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte om hun rechten uit hoofde van dit lid te beschermen.”.
-
In artikel 39 wordt lid 3 vervangen door:
„3.Het in lid 1 van dit artikel neergelegde verbod vormt geen belemmering voor het delen van informatie tussen kredietinstellingen en financiële instellingen van de lidstaten mits zij tot dezelfde groep behoren, of tussen deze entiteiten en hun bijkantoren en meerderheidsdochters die in derde landen zijn gevestigd, mits die bijkantoren en meerderheidsdochters volledig voldoen aan de op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures, inclusief de procedures voor het delen van informatie binnen de groep, overeenkomstig artikel 45, en mits de op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn.”.
-
In artikel 40 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:
-
punt a) wordt vervangen door:
-
wat het cliëntenonderzoek betreft, een afschrift van de documenten en inlichtingen die nodig zijn voor het naleven van de cliëntenonderzoeksvoorschriften vastgelegd in hoofdstuk II, met inbegrip van, indien beschikbaar, informatie verkregen via elektronische identificatiemiddelen, relevante vertrouwensdiensten zoals bedoeld in Verordening (EU) nr. 910/2014 of ieder ander identificatieproces dat veilig is, op afstand of langs elektronische weg plaatsvindt en door de relevante nationale autoriteiten is gereglementeerd, erkend, goedgekeurd of aanvaard, gedurende een termijn van vijf jaar vanaf het einde van de zakelijke relatie met hun cliënt of vanaf de datum van een occasionele transactie;”;
-
-
de volgende alinea wordt toegevoegd:
„De in dit lid bedoelde bewaringstermijn, met inbegrip van de verdere bewaringstermijn van maximaal vijf extra jaren, is ook van toepassing op gegevens die toegankelijk zijn via de in artikel 32 bis bedoelde gecentraliseerde mechanismen.”.
-
-
Artikel 43 wordt vervangen door:
De verwerking van persoonsgegevens op basis van deze richtlijn met het oog op het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering als bedoeld in artikel 1, wordt beschouwd als een taak van algemeen belang in de zin van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(*).
-
Artikel 44 wordt vervangen door:
1.De lidstaten zorgen er, met het oog op het bijdragen aan de voorbereiding van de risicobeoordeling uit hoofde van artikel 7, voor dat zij in staat zijn de doeltreffendheid van hun regelingen ter bestrijding van witwassen of terrorismefinanciering te beoordelen door uitgebreide statistieken bij te houden over aangelegenheden die relevant zijn voor de doeltreffendheid van deze regelingen.
2.De in lid 1 bedoelde statistieken omvatten:
-
gegevens betreffende metingen van de omvang en het belang van de verschillende sectoren die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, daaronder begrepen het aantal natuurlijke personen en entiteiten en het economisch belang van elke sector;
-
gegevens betreffende metingen van de meldings-, de onderzoeks- en de gerechtelijke aspecten van de nationale AML/CFT-regelgeving, daaronder begrepen het aantal meldingen van verdachte transacties aan de FIE, het gevolg dat aan deze meldingen is gegeven en, op jaarbasis, het aantal onderzochte gevallen, het aantal vervolgden, het aantal veroordeelden voor de delicten witwassen of terrorismefinanciering, de soorten basisdelicten, indien die informatie voorhanden is, en de waarde in euro van de bevroren, in beslag genomen of verbeurd verklaarde vermogensbestanddelen;
-
indien beschikbaar, gegevens tot identificatie van het aantal meldingen en het percentage van de meldingen die geleid hebben tot verder onderzoek, samen met het jaarlijks rapport aan de meldingsplichtige entiteiten waarin nader wordt ingegaan op het nut en de opvolging van de door hen verrichte meldingen;
-
gegevens betreffende het aantal door de FIE’s geformuleerde, ontvangen, afgewezen en gedeeltelijk of volledig beantwoorde grensoverschrijdende informatieverzoeken, uitgesplitst naar verzoekend land;
-
de personele middelen die zijn toegewezen aan de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor toezicht op AML/CFT en de personele middelen die aan de FIE zijn toegewezen om de in artikel 32 genoemde taken te vervullen;
-
het aantal toezichtactiviteiten ter plaatse en op afstand, het aantal op basis van toezichtactiviteiten geconstateerde inbreuken en de door de toezichthoudende autoriteiten opgelegde sancties/administratieve maatregelen.
3.De lidstaten zorgen ervoor dat jaarlijks een geconsolideerd overzicht van hun statistieken wordt gepubliceerd.
4.De lidstaten doen de in lid 2 bedoelde statistieken jaarlijks toekomen aan de Commissie. De Commissie publiceert jaarlijks een verslag met een samenvatting van en een toelichting op de in lid 2 bedoelde statistieken, dat op haar website ter beschikking wordt gesteld.”.
-
-
In artikel 45 wordt lid 4 vervangen door:
„4.De lidstaten en de ESA’s stellen elkaar in kennis van gevallen waarin het volgens het recht van een derde land niet is toegestaan de krachtens lid 1 voorgeschreven gedragslijnen en procedures toe te passen. In dergelijke gevallen kan gecoördineerd optreden plaatsvinden om een oplossing te vinden. Wanneer zij beoordelen welke derde landen niet toestaan dat de krachtens lid 1 voorgeschreven gedragslijnen en procedures worden toegepast, houden de lidstaten en de ESA’s rekening met eventuele juridische beperkingen die de correcte toepassing van deze gedragslijnen en procedures kunnen belemmeren, met inbegrip van geheimhouding, gegevensbescherming en andere beperkingen die de uitwisseling van informatie die daartoe relevant kan zijn, beperken.”.
-
In artikel 47 wordt lid 1 vervangen door:
„1.De lidstaten waarborgen dat aanbieders van diensten voor het wisselen tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta en aanbieders van bewaarportemonnees worden geregistreerd, dat wisselkantoren en kantoren voor het omwisselen van cheques, en aanbieders van trustdiensten of vennootschappelijke diensten over een vergunning beschikken of geregistreerd zijn, en dat aanbieders van kansspeldiensten worden gereguleerd.”.
-
Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:
-
het volgende lid wordt ingevoegd:
„1 bis.Om een doeltreffende samenwerking, en met name de uitwisseling van informatie, te vergemakkelijken en te bevorderen, verstrekken de lidstaten aan de Commissie de lijst van bevoegde autoriteiten van de in artikel 2, lid 1, opgesomde meldingsplichtige entiteiten, met hun contactgegevens. De lidstaten zorgen ervoor dat de aan de Commissie verstrekte informatie up-to-date blijft.
De Commissie publiceert een register van deze autoriteiten en hun contactgegevens op haar website. De autoriteiten in het register fungeren, binnen de grenzen van hun bevoegdheden, als aanspreekpunt voor hun tegenhangers in de andere lidstaten. De financiële toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten fungeren ook als aanspreekpunt voor de ESA.
Om de adequate handhaving van deze richtlijn te waarborgen, verlangen de lidstaten dat alle meldingsplichtige entiteiten aan adequaat toezicht worden onderworpen, met inbegrip van de bevoegdheid om toezicht ter plaatse en op afstand uit te oefenen, en nemen zij passende en evenredige administratieve maatregelen om bij inbreuken de situatie te verhelpen.”;
-
lid 2 wordt vervangen door:
„2.De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten beschikken over adequate bevoegdheden, met inbegrip van de bevoegdheid om het verstrekken van elke informatie die van belang is voor het toezicht op de naleving en het uitvoeren van controles af te dwingen, alsook over toereikende financiële, personele en technische middelen om hun taken te vervullen. De lidstaten zorgen ervoor dat het personeel van die autoriteiten zeer integer is en over de nodige vaardigheden beschikt en dat het hoge professionele normen, daaronder begrepen normen inzake vertrouwelijkheid, gegevensbescherming en normen inzake belangenconflicten, handhaaft.”;
-
lid 4 wordt vervangen door:
„4.De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de meldingsplichtige entiteit vestigingen exploiteert, erop toezien dat die vestigingen de nationale bepalingen van die lidstaat ter omzetting van deze richtlijn naleven.
In het geval van kredietinstellingen en financiële instellingen die deel uitmaken van een groep, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar een moederonderneming is gevestigd, voor de in de eerste alinea genoemde doeleinden samenwerken met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de tot de groep behorende vestigingen zijn gevestigd.
In het geval van de in artikel 45, lid 9, bedoelde vestigingen, kan het in de eerste alinea van dit lid bedoelde toezicht mede bestaan in het nemen van passende en evenredige maatregelen om ernstige gebreken die onmiddellijke maatregelen vereisen, aan te pakken. Die maatregelen zijn van tijdelijke aard en worden beëindigd wanneer de gebreken zijn aangepakt, onder meer met de hulp van of in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de meldingsplichtige entiteit, overeenkomstig artikel 45, lid 2.”;
-
aan lid 5 wordt de volgende alinea toegevoegd:
„In het geval van kredietinstellingen en financiële instellingen die deel uitmaken van een groep, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar een moederonderneming is gevestigd, toezicht houden op de effectieve uitvoering van de op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures als bedoeld in artikel 45, lid 1. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar tot de groep behorende kredietinstellingen en financiële instellingen zijn gevestigd, samenwerken met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de moederonderneming is gevestigd.”.
-
-
Artikel 49 wordt vervangen door:
De lidstaten zorgen ervoor dat de beleidsmakers, de FIE’s, de toezichthouders en de andere bevoegde autoriteiten die bij AML/CFT betrokken zijn, alsook belastingautoriteiten en rechtshandhavingsautoriteiten wanneer zij binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn optreden, over effectieve mechanismen beschikken die hen in staat stellen tot samenwerking en coördinatie op binnenlands niveau betreffende de ontwikkeling en toepassing van gedragslijnen en activiteiten ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, onder meer met het oog op het vervullen van hun verplichting krachtens artikel 7.”.
-
In afdeling 3 van hoofdstuk VI wordt de volgende onderafdeling ingevoegd:
De uitwisseling van informatie of bijstand tussen bevoegde autoriteiten voor de toepassing van deze richtlijn wordt door de lidstaten niet verboden of aan onredelijke of uitermate restrictieve voorwaarden onderworpen. Met name zorgen de lidstaten ervoor dat bevoegde autoriteiten een verzoek om bijstand niet weigeren op grond van het feit dat:
-
het verzoek wordt geacht ook betrekking te hebben op belastingaangelegenheden;
-
het nationale recht vereist dat de meldingsplichtige entiteiten geheimhouding of vertrouwelijkheid in acht nemen, behalve in gevallen waarin de relevante informatie die wordt opgevraagd, wordt beschermd door het recht op vertrouwelijkheid of wanneer een bij wet voorgeschreven beroepsgeheim als omschreven in artikel 34, lid 2, geldt;
-
er een onderzoek of procedure loopt in de aangezochte lidstaat, tenzij de bijstand dat onderzoek of die procedure zou belemmeren;
-
de aard of de status van de verzoekende bevoegde autoriteit verschilt van die van de aangezochte bevoegde autoriteit.”.
-
-
Artikel 53 wordt als volgt gewijzigd:
-
in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:
„1.De lidstaten zorgen ervoor dat de FIE’s, uit eigen beweging of op verzoek, alle informatie uitwisselen die relevant kan zijn voor de verwerking of de analyse, door de FIE, van informatie in verband met witwassen of terrorismefinanciering en de betrokken natuurlijke of rechtspersonen, ongeacht het type verband houdende basisdelicten en zelfs indien op het tijdstip van de uitwisseling het type verband houdende basisdelicten nog niet is vastgesteld.”;
-
in lid 2, tweede alinea, wordt de tweede zin vervangen door:
„Die FIE verkrijgt informatie overeenkomstig artikel 33, lid 1, en stuurt de antwoorden onverwijld door.”.
-
-
Aan artikel 54 wordt de volgende alinea toegevoegd:
„De lidstaten zorgen ervoor dat de FIE’s ten minste één contactpersoon of -punt aanwijzen die/dat verantwoordelijk is voor de ontvangst van verzoeken om informatie van FIE’s in andere lidstaten.”.
-
In artikel 55 wordt lid 2 vervangen door:
„2.De lidstaten zorgen ervoor dat de voorafgaande toestemming van de aangezochte FIE voor het verstrekken van de informatie aan bevoegde autoriteiten onverwijld wordt gegeven en zo ruim mogelijk is, ongeacht het type verband houdende basisdelicten. De aangezochte FIE mag haar toestemming voor die verstrekking niet weigeren, tenzij die verstrekking buiten het toepassingsgebied van haar AML/CFT-bepalingen zou vallen of een onderzoek zou kunnen schaden, of anderszins niet in overeenstemming zou zijn met de fundamentele beginselen van het nationale recht van die lidstaat. Een weigering deze instemming te verlenen wordt naar behoren uitgelegd. Die uitzonderingen worden op zodanige wijze gespecificeerd dat misbruik van en onredelijke beperkingen op de verstrekking van informatie aan bevoegde autoriteiten worden voorkomen.”.
-
Artikel 57 wordt vervangen door:
Verschillen tussen de nationale rechtsstelsels inzake de definitie van basisdelicten als bedoeld in artikel 3, punt 4, vormen geen beletsel voor de FIE’s om bijstand te verlenen aan een andere FIE en beperken de uitwisseling, de verstrekking en het gebruik van informatie uit hoofde van de artikelen 53, 54 en 55 niet.”.
-
Aan afdeling 3 van hoofdstuk VI wordt de volgende onderafdeling toegevoegd:
1.De lidstaten vereisen dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten die in het kader van deze richtlijn toezicht houden op kredietinstellingen en financiële instellingen, en auditors of deskundigen die namens deze bevoegde autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn.
Onverminderd gevallen die onder het strafrecht vallen, mag de vertrouwelijke informatie die de in de eerste alinea bedoelde personen bij de uitvoering van hun taken in het kader van deze richtlijn ontvangen, enkel in samengevatte of geaggregeerde vorm worden bekendgemaakt, op een zodanige manier dat individuele kredietinstellingen en financiële instellingen niet kunnen worden geïdentificeerd.
2.Lid 1 vormt geen belemmering voor de uitwisseling van informatie tussen:
-
bevoegde autoriteiten die toezicht houden op kredietinstellingen en financiële instellingen binnen een lidstaat overeenkomstig deze richtlijn of andere wetgevingshandelingen betreffende het toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen;
-
bevoegde autoriteiten die toezicht houden op kredietinstellingen en financiële instellingen in verschillende lidstaten overeenkomstig deze richtlijn of andere wetgevingshandelingen betreffende het toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen, met inbegrip van de Europese Centrale Bank (ECB) wanneer zij handelt overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad(*). Deze uitwisseling van informatie valt onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim.
Uiterlijk op 10 januari 2019 sluiten de bevoegde autoriteiten die overeenkomstig deze richtlijn toezicht houden op kredietinstellingen en financiële instellingen, en de ECB, wanneer zij handelt op grond van artikel 27, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en artikel 56, eerste alinea, onder g), van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(**), met ondersteuning van de Europese toezichthoudende autoriteiten, een overeenkomst over de praktische regelingen voor de uitwisseling van informatie.
3.De bevoegde autoriteiten die toezicht houden op kredietinstellingen en financiële instellingen en die vertrouwelijke informatie als bedoeld in lid 1 ontvangen, gebruiken deze informatie enkel:
-
bij de uitvoering van hun taken in het kader van deze richtlijn of andere wetgevingshandelingen op het gebied van AML/CFT, prudentiële regelgeving en toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen, met inbegrip van het opleggen van sancties;
-
bij een beroep tegen een besluit van de bevoegde autoriteit die toezicht houdt op kredietinstellingen en financiële instellingen, met inbegrip van rechtszaken;
-
bij rechtszaken die op grond van bijzondere bepalingen van Unierecht op het gebied van deze richtlijn of op het gebied van prudentiële regelgeving en toezicht op kredietinstellingen en financiële instellingen aanhangig zijn gemaakt.
4.De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten die toezicht houden op kredietinstellingen en financiële instellingen voor de toepassing van deze richtlijn zo veel mogelijk met elkaar samenwerken, ongeacht hun respectievelijke aard of status. Deze samenwerking omvat ook de mogelijkheid om, binnen de bevoegdheden van de aangezochte bevoegde autoriteit, namens een verzoekende bevoegde autoriteit onderzoeken te verrichten, en de daarop volgende uitwisseling van de informatie die door deze onderzoeken is verkregen.
5.De lidstaten kunnen toestaan dat hun nationale bevoegde autoriteiten die toezicht houden op kredietinstellingen en financiële instellingen samenwerkingsovereenkomsten sluiten die voorzien in samenwerking en uitwisseling van vertrouwelijke informatie met de bevoegde autoriteiten van derde landen die de tegenhangers zijn van deze nationale bevoegde autoriteiten. Deze samenwerkingsovereenkomsten worden gesloten op basis van wederkerigheid en slechts indien gewaarborgd is dat op de verstrekte gegevens vereisten inzake het beroepsgeheim van toepassing zijn die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in lid 1 bedoelde vereisten. Vertrouwelijke informatie die op grond van deze samenwerkingsovereenkomsten wordt uitgewisseld, wordt gebruikt voor het uitvoeren van de toezichthoudende taak van deze autoriteiten.
Uitgewisselde informatie die van een andere lidstaat afkomstig is, wordt alleen doorgegeven met uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteit die de informatie heeft gedeeld en wordt, in voorkomend geval, alleen gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteit heeft ingestemd.
1.Niettegenstaande artikel 57 bis, leden 1 en 3, en onverminderd artikel 34, lid 2, kunnen de lidstaten toestaan dat informatie wordt uitgewisseld tussen bevoegde autoriteiten in dezelfde lidstaat of in verschillende lidstaten, tussen de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten die tot taak hebben toezicht te houden op entiteiten uit de financiële sector en natuurlijke of rechtspersonen handelend in het kader van hun beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 3, en de autoriteiten die volgens de wet verantwoordelijk zijn voor het toezicht op financiële markten bij de uitvoering van hun respectievelijke toezichthoudende taken.
De ontvangen informatie is in ieder geval onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 57 bis, lid 1, bedoelde vereisten.
2.Niettegenstaande artikel 57 bis, leden 1 en 3, kunnen de lidstaten krachtens bepalingen van nationaal recht toestaan dat bepaalde informatie wordt verstrekt aan andere nationale autoriteiten die volgens de wet verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de financiële markten of waaraan taken zijn toegewezen op het gebied van het bestrijden of onderzoeken van witwassen, de daarmee verband houdende basisdelicten of terrorismefinanciering.
Vertrouwelijke informatie die overeenkomstig dit lid wordt uitgewisseld, wordt echter enkel gebruikt voor het uitvoeren van de wettelijke taken van de betrokken autoriteiten. Personen die toegang hebben tot dergelijke informatie, zijn onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 57 bis, lid 1, bedoelde vereisten.
3.De lidstaten kunnen toestaan dat bepaalde informatie met betrekking tot het toezicht op de kredietinstellingen in het kader van deze richtlijn wordt verstrekt aan parlementaire onderzoekscommissies, rekenkamers en andere voor onderzoek verantwoordelijke entiteiten in hun lidstaat, onder de volgende voorwaarden:
-
de entiteiten hebben krachtens het nationale recht een nauwkeurig omschreven mandaat om het optreden van autoriteiten die voor het toezicht op deze kredietinstellingen of voor wetgeving inzake dit toezicht verantwoordelijk zijn, te onderzoeken of te controleren;
-
de informatie is strikt noodzakelijk om het onder a) bedoelde mandaat te vervullen;
-
de personen die toegang tot de informatie hebben, zijn krachtens het nationale recht onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de in artikel 57 bis, lid 1, bedoelde vereisten;
-
informatie die afkomstig is van een andere lidstaat, wordt niet verstrekt zonder uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben meegedeeld, en mag alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten hebben ingestemd.
-
-
In artikel 58 wordt aan lid 2 de volgende alinea toegevoegd:
„De lidstaten zorgen er ook voor dat wanneer hun bevoegde autoriteiten inbreuken vaststellen waarop strafrechtelijke sancties staan, zij de rechtshandhavingsautoriteiten daarvan tijdig in kennis stellen.”.
-
Artikel 61 wordt als volgt gewijzigd:
-
lid 1 wordt vervangen door:
„1.De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten en, indien van toepassing, zelfregulerende organen doeltreffende en betrouwbare mechanismen instellen om het melden van mogelijke of werkelijke inbreuken op de nationale bepalingen ter omzetting van deze richtlijn aan de bevoegde autoriteiten en, indien van toepassing, zelfregulerende organen aan te moedigen.
Daartoe voorzien zij in een of meer beveiligde communicatiekanalen voor personen voor de in de eerste alinea bedoelde meldingen. Bij deze kanalen wordt ervoor gezorgd dat de identiteit van de personen die informatie verstrekken, uitsluitend bekend is bij de bevoegde autoriteiten en, indien van toepassing, zelfregulerende organen.”;
-
aan lid 3 worden de volgende alinea’s toegevoegd:
„De lidstaten zorgen ervoor dat personen, met inbegrip van werknemers en vertegenwoordigers van de meldingsplichtige entiteit die hetzij intern, hetzij aan de FIE vermoedens van witwassen of terrorismefinanciering melden, wettelijk worden beschermd tegen bedreigingen, vergeldingsmaatregelen of vijandige acties, in het bijzonder tegen nadelig of discriminerend optreden van de werkgever.
De lidstaten zorgen ervoor dat personen die aan bedreigingen, vijandige acties of nadelig of discriminerend optreden van de werkgever zijn blootgesteld omdat zij intern of aan de FIE vermoedens van witwassen of terrorismefinanciering hebben gemeld, op veilige wijze een klacht kunnen indienen bij de respectievelijke bevoegde autoriteiten. Onverminderd de vertrouwelijkheid van door de FIE verzamelde informatie, zorgen de lidstaten er ook voor dat deze personen recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte om hun rechten uit hoofde van dit lid te beschermen.”.
-
-
Het volgende artikel wordt ingevoegd:
1.De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor de voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme („het comité”) als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad(*). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(**).
2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
-
Artikel 65 wordt vervangen door:
1.Uiterlijk op 11 januari 2022 en vervolgens om de drie jaar stelt de Commissie een verslag op over de toepassing van deze richtlijn en legt zij dat voor aan het Europees Parlement en de Raad.
Dit verslag bevat met name:
-
een beschrijving van specifieke maatregelen en mechanismen die op het niveau van de Unie en de lidstaten zijn vastgesteld om opkomende problemen en nieuwe ontwikkelingen die een bedreiging voor het financiële stelsel van de Unie vormen, te voorkomen en aan te pakken;
-
vervolgacties die op het niveau van de Unie en de lidstaten zijn ondernomen naar aanleiding van problemen die onder hun aandacht zijn gebracht, waaronder klachten over nationale wetgeving die een belemmering vormt voor de toezicht- en onderzoeksbevoegdheden van de bevoegde autoriteiten en zelfregulerende organen;
-
een overzicht van de beschikbaarheid van relevante informatie voor de bevoegde autoriteiten en FIE’s van de lidstaten om te voorkomen dat het financiële stelsel wordt gebruikt voor witwassen en terrorismefinanciering;
-
een overzicht van de internationale samenwerking en informatie-uitwisseling tussen bevoegde autoriteiten en FIE’s;
-
een overzicht van de maatregelen die de Commissie moet nemen om na te gaan of de lidstaten maatregelen nemen in overeenstemming met deze richtlijn en om opkomende problemen en nieuwe ontwikkelingen in de lidstaten te beoordelen;
-
een analyse van de haalbaarheid van specifieke maatregelen en mechanismen op het niveau van de Unie en de lidstaten wat betreft mogelijkheden om informatie over de uiteindelijk begunstigden van vennootschappen en andere juridische entiteiten opgericht buiten de Unie te verzamelen en in te zien, en van de evenredigheid van de in artikel 20, onder b), bedoelde maatregelen.
-
een evaluatie van de wijze waarop de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende grondrechten en beginselen zijn geëerbiedigd.
Het eerste verslag, dat uiterlijk op 11 januari 2022 wordt gepubliceerd, gaat zo nodig vergezeld van passende wetgevingsvoorstellen inzake, onder meer, waar passend, virtuele valuta, machtigingen voor het aanleggen en onderhouden van een voor FIE’s toegankelijke centrale database waarin de identiteit en de portemonneeadressen van gebruikers worden geregistreerd, alsook zelfverklaringsformulieren ten behoeve van de gebruikers van virtuele valuta, en het verbeteren van de samenwerking tussen de nationale bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen en een op risico gebaseerde toepassing van de in artikel 20, onder b), bedoelde maatregelen.
2.Uiterlijk op 1 juni 2019 beoordeelt de Commissie het kader voor de samenwerking tussen FIE’s en derde landen en de belemmeringen en mogelijkheden voor nauwere samenwerking tussen de FIE’s in de Unie, met inbegrip van de mogelijkheid om een coördinatie- en ondersteuningsmechanisme in te stellen.
3.De Commissie dient, in voorkomend geval, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin wordt beoordeeld of het noodzakelijk en evenredig is om het percentage voor de identificatie van de uiteindelijk begunstigden van juridische entiteiten te verlagen indien er als gevolg van een nieuwe beoordeling een aanbeveling in die zin wordt gedaan door internationale organisaties en opstellers van standaarden met bevoegdheden op het gebied van het voorkomen van witwassen en de bestrijding van terrorismefinanciering, en dient zo nodig een wetgevingsvoorstel in.”.
-
-
In artikel 67 wordt lid 1 vervangen door:
„1.De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 26 juni 2017 aan deze richtlijn te voldoen.
De lidstaten passen artikel 12, lid 3, toe vanaf 10 juli 2020.
De lidstaten zetten uiterlijk op 10 januari 2020 de in artikel 30 bedoelde registers, uiterlijk op 10 maart 2020 de in artikel 31 bedoelde registers, en uiterlijk op 10 september 2020 de in artikel 32 bis bedoelde gecentraliseerde automatische mechanismen op.
De Commissie zorgt ervoor dat de in de artikelen 30 en 31 bedoelde registers in samenwerking met de lidstaten uiterlijk op 10 maart 2021 worden gekoppeld.
De lidstaten delen de Commissie de tekst van de in dit lid bedoelde maatregelen onverwijld mede.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor een dergelijke verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.”.
-
In bijlage II wordt het inleidende deel van punt 3 vervangen door:
-
Geografische risicofactoren — registratie, vestiging of woonst in:”.
-
-
Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:
-
aan punt 1 wordt het volgende punt toegevoegd:
-
de cliënt is een onderdaan van een derde land die in de lidstaat verblijfsrechten of het staatsburgerschap aanvraagt in ruil voor kapitaaloverdrachten, de aankoop van onroerend goed of overheidsobligaties of investeringen in vennootschappen in die lidstaat.”;
-
-
punt 2 wordt als volgt gewijzigd:
-
punt c) wordt vervangen door:
-
zakelijke relaties op afstand of transacties op afstand, zonder bepaalde garanties, zoals elektronische identificatiemiddelen of relevante vertrouwensdiensten zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 910/2014 of ieder andere identificatieproces dat veilig is, op afstand of langs elektronische weg plaatsvindt en door de relevante nationale autoriteiten is gereglementeerd, erkend, goedgekeurd of aanvaard”;
-
-
het volgende punt wordt toegevoegd:
-
transacties in verband met aardolie, wapens, edele metalen, tabaksproducten, culturele kunstvoorwerpen en andere artikelen van archeologisch, historisch, cultureel en religieus belang of met grote wetenschappelijke waarde, alsook ivoor en beschermde soorten.”.
-
-
-