Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 53, lid 1,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat(3) verleent de bevoegde autoriteiten in de financiële sector aanvullende bevoegdheden en verschaft hun extra instrumenten voor de uitoefening van het toezicht op groepen samengesteld uit diverse gereglementeerde entiteiten die in verschillende sectoren van de financiële markten actief zijn. Dergelijke groepen, die financiële conglomeraten worden genoemd, zijn blootgesteld aan risico’s die groepsrisico’s worden genoemd en die omvatten: besmettingsrisico’s (waarbij risico’s van één deel van de groep zich over de gehele groep verspreiden), risicoconcentratie (waarbij hetzelfde type risico zich tegelijkertijd in diverse delen van de groep voordoet), de complexiteit van het management van vele verschillende juridische entiteiten, potentiële belangenconflicten, alsook de opgave om het wettelijk aan te houden kapitaal zodanig aan alle gereglementeerde entiteiten van het financiële conglomeraat toe te delen dat het meermaals gebruiken van hetzelfde kapitaal wordt vermeden. Op financiële conglomeraten dient derhalve aanvullend toezicht te worden uitgeoefend naast het toezicht op individuele, geconsolideerde of groepsbasis zonder dat er sprake is van enige overlapping of van enigerlei effect op de groep en ongeacht de juridische structuur ervan.
Het verdient aanbeveling om consistentie tussen de doelstelling van Richtlijn 2002/87/EG enerzijds, en die van de Richtlijnen 73/239/EEG(4) en 92/49/EEG(5) van de Raad en de Richtlijnen 98/78/EG(6), 2002/83/EG(7), 2004/39/EG(8), 2005/68/EG(9), 2006/48/EG(10), 2006/49/EG(11), 2009/65/EG(12), 2009/138/EG(13) en 2011/61/EU(14) van het Europees Parlement en de Raad anderzijds te verzekeren en het aldus mogelijk te maken passend aanvullend toezicht op verzekerings- en bankgroepen uit te oefenen, ook waar deze deel uitmaken van een gemengde financiële holdingstructuur.
Het is noodzakelijk dat financiële conglomeraten door heel de Unie heen worden geïdentificeerd naargelang de mate waarin zij aan groepsrisico’s zijn blootgesteld,op basis van gemeenschappelijke richtsnoeren die worden vastgesteld door de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(15) (EBA), de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad(16) (EIOPA) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad(17) (ESMA) worden uitgevaardigd in overeenstemming met artikel 56 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010, middels het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten (Gemengd Comité). Het is bovendien belangrijk dat de voorwaarden om van de uitoefening van aanvullend toezicht af te zien, worden toegepast op een risicogebaseerde wijze volgens deze richtsnoeren. Dit is van bijzonder groot belang in het geval van de grotere, internationaal opererende financiële conglomeraten.
Bevoegde autoriteiten zijn alleen in staat een veelomvattende en adequate controle op groepsrisico’s bij grote, complexe en internationaal opererende financiële conglomeraten uit te oefenen en toezicht op het groepsbrede kapitaalbeleid van dergelijke groepen te houden wanneer zij toezichtgegevens vergaren en toezichtmaatregelen plannen die verder gaan dan de nationale reikwijdte van hun mandaat. Het is daarom noodzakelijk dat bevoegde autoriteiten het aanvullende toezicht op internationaal opererende financiële conglomeraten coördineren tussen de bevoegde autoriteiten die als het meest relevant voor het aanvullende toezicht op een financieel conglomeraat worden aangemerkt. Het college van de relevante bevoegde autoriteiten van een financieel conglomeraat dient te handelen in overeenstemming met het aanvullende karakter van Richtlijn 2002/87/EG en moet als zodanig niet de activiteiten van de desbetreffende bestaande colleges voor de banksubgroep en de verzekeringssubgroep voor deze financiële conglomeraten herhalen of vervangen maar moet juist daaraan waarde toevoegen. Er zou alleen een college voor een financieel conglomeraat moeten worden opgericht wanneer er geen sectoraal bank- of verzekeringscollege is.
Om een adequaat regulerend toezicht te verzekeren is het noodzakelijk dat er op de juridische structuur en de bestuur- en organisatorische structuur van alle gereglementeerde entiteiten, niet-gereglementeerde dochterondernemingen van banken en hun significante bijkantoren, verzekeraars en financiële conglomeraten met grensoverschrijdende activiteiten, toezicht wordt gehouden door de EBA, EIOPA en ESMA (European Supervisory Authorities — „ESA’s”) en, al naar het geval, het Gemengd Comité, en dat informatie bekend wordt gemaakt aan de relevante bevoegde autoriteiten.
Teneinde effectief aanvullend toezicht op de gereglementeerde entiteiten in een financieel conglomeraat te verzekeren, met name wanneer het hoofdkantoor van één van de dochterondernemingen in een derde land is gevestigd, moeten de onder deze richtlijn vallende ondernemingen elke onderneming omvatten, in het bijzonder elke kredietinstelling die zijn statutaire zetel in een derde land heeft en die vergunningsplichtig zou zijn indien zijn statutaire zetel zich in de Unie zou bevinden.
Het aanvullend toezicht op grote, complexe en internationaal opererende financiële conglomeraten vereist EU-brede coördinatie teneinde aan de stabiliteit van de interne markt voor financiële diensten bij te dragen. Daartoe dienen de bevoegde autoriteiten de methoden voor toezicht overeen te komen, die ten aanzien van dergelijke financiële conglomeraten moeten worden toegepast. De ESA’s dienen in overeenstemming met respectievelijk artikel 56 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010, via het Gemengd Comité, voor dergelijke gemeenschappelijke methoden gemeenschappelijke richtsnoeren uit te vaardigen en aldus te zorgen voor een algemeen prudent kader van de beschikbare toezichtinstrumenten en -bevoegdheden in de richtlijnen met betrekking tot bank-, verzekerings-, effecten- en financiële conglomeraten. De richtsnoeren, zoals voorzien in Richtlijn 2002/87/EG, moeten het aanvullende karakter van het daaronder bedoelde toezicht weerspiegelen en het sectorspecifieke toezicht aanvullen, waarin Richtlijnen 73/239/EEG, 92/49/EEG, 98/78/EG, 2002/83/EG, 2004/39/EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU voorzien.
Er is een onmiskenbare noodzaak om potentiële groepsrisico’s waarmee een financieel conglomeraat wordt geconfronteerd door zijn deelneming in andere ondernemingen, te monitoren en te controleren. Voor die gevallen waarin de door Richtlijn 2002/87/EG verleende specifieke toezichtbevoegdheden ontoereikend blijken, dient de toezichthoudende gemeenschap alternatieve methoden te ontwikkelen om dergelijke risico’s aan te pakken en op passende wijze in aanmerking te nemen, bij voorkeur door middel van werkzaamheden die door de ESA’s via het Gemengd Comité worden uitgevoerd. Indien een deelneming de enige aanleiding vormt voor de identificatie van een groep als financieel conglomeraat, moet het de toezichthouders worden toegestaan na te gaan of de groep aan groepsrisico’s is blootgesteld en, in voorkomend geval, de groep van aanvullend toezicht vrij te stellen.
Voor wat betreft bepaalde groepsstructuren, zijn toezichthouders in de huidige crisis zonder bevoegdheden gelaten omdat zij zich door de huidige constellatie van de richtlijnen gedwongen zagen te kiezen tussen sectorspecifiek of aanvullend toezicht. Hoewel een grondige herziening van Richtlijn 2002/87/EG in het kader van de werkzaamheden van de G20 met betrekking tot financiële conglomeraten wenselijk is, neemt dit niet weg dat zo spoedig mogelijk in de vereiste toezichthoudende bevoegdheden moet worden voorzien.
Het verdient aanbeveling om consistentie tussen de doelstellingen van Richtlijn 2002/87/EG en Richtlijn 98/78/EG te waarborgen. Richtlijn 98/78/EG moet om die reden worden gewijzigd zodat gemengde financiële holdings daarin worden gedefinieerd en daaronder vallen. Om tijdig voor coherent toezicht te garanderen, moet Richtlijn 98/78/EG worden gewijzigd, onverminderd de op handen zijnde toepassing van Richtlijn 2009/138/EG, die om dezelfde redenen moet worden gewijzigd.
Stresstests voor de banksubgroepen en de verzekeringssubgroepen van een financieel conglomeraat moeten op regelmatige basis worden uitgevoerd, maar het is de rol van de overeenkomst Richtlijn 2002/87/EG aangewezen coördinator om te beslissen over de wenselijkheid, de parameters en de timing van een dergelijke test voor een afzonderlijk financieel conglomeraat als geheel. Bij Uniebrede stresstests die door de ESA’s in sectorspecifiek verband worden uitgevoerd, moet het de taak van het Gemengd Comité zijn om ervoor te zorgen dat deze stresstests zodanig worden uitgevoerd dat de consistentie tussen sectoren bewaard blijft. Om die redenen moeten de ESA’s, via het Gemengd Comité, de mogelijkheid hebben om aanvullende parameters voor Uniebrede stresstests uit te werken, die de specifieke groepsrisico’s die zich typisch in financiële conglomeraten voordoen, kunnen herkennen, en zij moeten de resultaten van deze testen kunnen publiceren, waar dat door sectorale wetgeving wordt toegestaan. Er moet rekening worden gehouden met de ervaring uit eerdere Uniewijde stresstests. Stresstests moeten bijvoorbeeld rekening houden met liquiditeits- en solvabiliteitsrisico’s van financiële conglomeraten.
Daarnaast zou de Commissie een samenhangend en sluitend systeem voor het toezicht op financiële conglomeraten verder moeten ontwikkelen. De op handen zijnde volledige herziening van Richtlijn 2002/87/EG moet ook betrekking hebben op niet-gereglementeerde entiteiten, met name special purpose vehicles, en moet een op risico’s gebaseerde toepassing van de ontheffingen uitwerken, die toezichthouders kunnen verlenen bij het beoordelen van een financieel conglomeraat, terwijl het gebruik van zulke ontheffingen wordt beperkt. Gelet op de sectorale richtlijnen moet de herziening zich ook uitstrekken tot systeemrelevante financiële conglomeraten die door hun omvang, onderlinge verwevenheid of complexe structuur bijzonder kwetsbaar zijn. Dergelijke conglomeraten zijn te identificeren door analoge toepassing van de normen die door de Raad voor financiële stabiliteit en het Basel Comité voor het banktoezicht worden uitgewerkt. De Commissie moet daarom in overweging nemen om regulerende maatregelen op dit gebied voor te stellen.
Het verdient aanbeveling om consistentie tussen de doelstellingen van Richtlijn 2002/87/EG en van Richtlijn 2006/48/EG te waarborgen. Om die reden moet Richtlijn 2006/48/EG zodanig worden gewijzigd dat gemengde financiële holdings daarin worden gedefinieerd en daaronder vallen.
De vernieuwde beschikbaarheid van bevoegdheden op het niveau van de gemengde financiële holdings brengt met zich mee dat sommige bepalingen van de Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG of 2009/138/EG op dat niveau tegelijkertijd van toepassing zijn. Deze bepalingen kunnen gelijkwaardig aan elkaar zijn, in het bijzonder ten aanzien van de kwalitatieve elementen van de toezichthoudende controleprocessen. De Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG of 2009/138/EG bevatten bijvoorbeeld identieke betrouwbaarheids- en deskundigheidseisen voor het management van holdings. Om te voorkomen dat deze bepalingen elkaar overlappen en om de doeltreffendheid van het toezicht op het hoogste niveau te waarborgen, moeten toezichthouders over de mogelijkheid beschikken slechts één specifieke bepaling toe te passen, en daarmee tegelijk de gelijkwaardige bepalingen van alle andere toepasselijke richtlijnen na te leven. Wanneer een bepaling geen identieke formulering heeft, moet deze als gelijkwaardig worden beschouwd als zij inhoudelijk vergelijkbaar is, in het bijzonder op het gebied van het risicogebaseerde toezicht. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid dienen toezichthouders binnen de colleges na te gaan of, ten aanzien van elke toepasselijke richtlijn, het toepassingsgebied geheel wordt bestreken en de beoogde doelstellingen worden bereikt zonder de toezichtnormen te verlagen. Het moet mogelijk worden gemaakt om de beoordeling van de gelijkwaardigheid te laten evolueren naargelang de veranderingen in de toezichtkaders en -praktijken. Beoordeling van gelijkwaardigheid moet derhalve worden onderworpen aan een open en evolutief proces. Met dat proces moeten oplossingen per geval kunnen worden gevonden, waarbij rekening moet kunnen worden gehouden met alle relevante kenmerken van een bepaalde groep. Om voor een bepaalde groep de consistentie binnen het toezichtkader te waarborgen en voor alle financiële conglomeraten in de Unie gelijke voorwaarden te creëren, is een passende samenwerking op toezichtgebied noodzakelijk. Daartoe dienen de ESA’s via het Gemengd Comité richtsnoeren op te stellen teneinde de beoordeling van gelijkwaardigheid te laten convergeren en dienen zij toe te werken naar het verstrekken van bindende technische normen.
Teneinde het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat te versterken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van technische aanpassingen die moeten worden gemaakt op Richtlijn 2002/87/EG aangaande de definities, het in lijn brengen van de terminologie en de berekeningsmethoden, zoals in die richtlijn zijn vastgelegd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie gedurende haar voorbereidende werkzaamheden op maat gesneden consultaties houdt, inclusief consultaties op expertniveau. Bij de voorbereiding en het opstellen van gedelegeerde handelingen, waarborgt de Commissie dat de relevante documenten gelijktijdig, tijdig en op een geschikte wijze toezendt aan het Europees Parlement en aan de Raad.
Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een beter aanvullend toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van deze richtlijn beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen treffen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
De Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG moeten derhalve worden gewijzigd,