Home

Verordening (EG) n r. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE)

Verordening (EG) n r. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 308,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Europees Parlement(2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. De totstandbrenging van de interne markt en de verbetering van de economische en sociale toestand in de gehele Gemeenschap waartoe een en ander leidt, houdt niet slechts in dat de handelsbelemmeringen moeten worden opgeheven, doch ook dat er een op de dimensie van de Gemeenschap afgestemde herstructurering van de productiefactoren moet plaatsgrijpen. Het is daartoe onontbeerlijk dat de ondernemingen waarvan de activiteiten niet louter op de bevrediging van zuiver lokale behoeften zijn gericht, de reorganisatie van hun werkzaamheden op Gemeenschapsniveau kunnen uittekenen en uitvoeren.

  2. Een dergelijke reorganisatie veronderstelt dat reeds bestaande ondernemingen uit verschillende lidstaten in staat worden gesteld hun potentieel door fusieoperaties samen te brengen. Dergelijke operaties mogen echter alleen onder eerbiediging van de mededingingsregels van het Verdrag plaatsvinden.

  3. Herstructurerings- en samenwerkingsoperaties waarbij ondernemingen uit verschillende lidstaten betrokken zijn, stuiten op moeilijkheden van juridische, psychologische en fiscale aard. De maatregelen tot onderlinge aanpassing van het vennootschapsrecht van de lidstaten door middel van richtlijnen op basis van artikel 44 van het Verdrag, kunnen een aantal van deze moeilijkheden verhelpen. Deze maatregelen ontslaan ondernemingen die onder verschillende rechtssystemen ressorteren, evenwel niet van de verplichting een vennootschapsvorm naar een bepaald nationaal recht te kiezen.

  4. Het juridische kader waarbinnen ondernemingen zich in de Gemeenschap moeten bewegen, en dat nog altijd hoofdzakelijk nationaal bepaald blijft, beantwoordt derhalve niet meer aan het economische kader waarin zij zich zouden moeten ontplooien om de verwezenlijking van de in artikel 18 van het Verdrag genoemde doelstellingen mogelijk te maken. Operaties waarbij vennootschappen uit verscheidene lidstaten samen worden gebracht, worden door deze toestand sterk belemmerd.

  5. De lidstaten moeten er zorg voor dragen dat de voorschriften die krachtens deze verordening op Europese vennootschappen van toepassing zijn, niet leiden tot discriminatie als gevolg van een ongefundeerde verschillende behandeling van Europese vennootschappen in vergelijking met naamloze vennootschappen, noch tot overdreven restricties voor de oprichting van een Europese vennootschap of voor de verplaatsing van haar statutaire zetel.

  6. Het is geboden om, in de mate van het mogelijke, de economische en de juridische entiteit van de onderneming in de Gemeenschap te doen samenvallen. Daartoe moeten regels worden gegeven opdat, naast de vennootschappen die onder het nationale recht ressorteren, vennootschappen kunnen worden opgericht waarvan de oprichting en werking worden beheerst door een verordening naar Gemeenschapsrecht die in alle lidstaten rechtstreeks toepasselijk is.

  7. De bepalingen van een dergelijke verordening zullen de oprichting en het bestuur mogelijk maken van vennootschappen met een Europese dimensie zonder de belemmeringen die het gevolg zijn van de verschillen tussen, en de territoriaal beperkte toepassing van het nationale vennootschapsrecht.

  8. Het statuut van de Europese naamloze vennootschap (hierna SE te noemen) is een van de besluiten die de Raad volgens het Witboek van de Commissie inzake de voltooiing van de interne markt, dat de Europese Raad van Milaan in juni 1985 heeft goedgekeurd, vóór 1992 moest vaststellen. De Europese Raad heeft tijdens zijn bijeenkomst te Brussel in 1987 de wens uitgesproken dat een dergelijk statuut snel wordt ingevoerd.

  9. Sinds de Commissie in 1970 het in 1975 gewijzigde voorstel voor een verordening betreffende het statuut van de Europese naamloze vennootschap heeft ingediend, is bij de werkzaamheden inzake de onderlinge aanpassing van het vennootschapsrecht van de lidstaten een aanmerkelijke vooruitgang geboekt, zodat voor de SE op gebieden waarop voor haar werking geen uniforme communautaire regels noodzakelijk zijn, kan worden verwezen naar de wetgeving inzake naamloze vennootschappen van de lidstaat waar zij haar statutaire zetel heeft.

  10. Het essentiële doel dat aan de rechtsvoorschriften voor een SE ten grondslag ligt, vergt in ieder geval, zonder vooruit te lopen op eventuele toekomstige economische eisen, dat een SE kan worden opgericht zowel teneinde onder verschillende lidstaten ressorterende vennootschappen de mogelijkheid te bieden tot fusie over te gaan of een holdingvennootschap op te richten, als teneinde onder verschillende lidstaten ressorterende vennootschappen en andere rechtspersonen die een economische activiteit uitoefenen, de mogelijkheid te bieden gemeenschappelijke dochtervennootschappen op te richten.

  11. In dezelfde geest dient het aan een naamloze vennootschap met statutaire zetel en hoofdbestuur in de Gemeenschap te worden toegestaan zich zonder ontbinding om te vormen tot een SE indien deze vennootschap een dochteronderneming heeft in een andere lidstaat dan die van haar statutaire zetel.

  12. De nationale voorschriften inzake naamloze vennootschappen die een beroep doen op de openbare kapitaalmarkt, en inzake effectentransacties moeten ook van toepassing zijn wanneer de oprichting van de SE geschiedt via de openbare kapitaalmarkt, alsmede op SE's die van deze financiële instrumenten gebruik wensen te maken.

  13. De SE zelf moet de rechtsvorm krijgen van een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, hetgeen zowel uit een oogpunt van financiering als uit een oogpunt van bestuur het beste beantwoordt aan de behoeften van vennootschappen die hun activiteiten op Europees niveau uitoefenen. Teneinde te waarborgen dat deze vennootschappen een redelijke omvang hebben, moet een minimumkapitaal worden vastgesteld dat de garantie biedt dat zij over een toereikend vermogen beschikken, zonder dat de oprichting van een SE door kleine en middelgrote ondernemingen wordt bemoeilijkt.

  14. De SE moet in staat worden gesteld een efficiënt bestuur te voeren, waarbij echter tevens een deugdelijk toezicht gewaarborgd moet zijn. Er moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat thans in de Gemeenschap twee verschillende systemen bestaan inzake de organisatie van het bestuur van naamloze vennootschappen. De respectieve taken van de met het bestuur belaste personen en van de met het toezicht belaste personen dienen duidelijk afgebakend te worden, waarbij de SE echter de keuze heeft uit beide systemen.

  15. De rechten en verplichtingen inzake de bescherming van de aandeelhouders met een minderheidsbelang en van derden, die voor een onderneming het gevolg zijn van het uitoefenen van zeggenschap over een andere onderneming die onder een verschillend recht ressorteert, worden krachtens de algemene regels en beginselen van het internationaal privaatrecht beheerst door het recht dat van toepassing is op de onderneming waarover zeggenschap wordt uitgeoefend, onverminderd de verplichtingen die voor de zeggenschap uitoefenende onderneming gelden krachtens de voorschriften van het op haar toepasselijke recht, bijvoorbeeld inzake de opstelling van een geconsolideerde jaarrekening.

  16. Een specifieke regelgeving voor de SE op dit terrein is thans niet vereist, onverminderd de consequenties die uit een latere coördinatie van de wettelijke voorschriften van de lidstaten voortvloeien. Derhalve moeten de algemene regels en beginselen van het internationaal privaatrecht worden toegepast, zowel wanneer de SE de zeggenschap uitoefent als wanneer zij de vennootschap is waarover zeggenschap wordt uitgeoefend.

  17. Er moet worden bepaald welke regeling van toepassing is ingeval over de SE door een andere onderneming zeggenschap wordt uitgeoefend. Daartoe moet worden verwezen naar het recht waaronder naamloze vennootschappen ressorteren in de lidstaat waar de SE haar statutaire zetel heeft.

  18. Er moet worden gewaarborgd dat elke lidstaat op de inbreuken op deze verordening de sancties toepast die voor de onder zijn recht ressorterende naamloze vennootschappen gelden.

  19. De voorschriften betreffende de rol van de werknemers in de SE vormen het voorwerp van Richtlijn 2001/86/EG van de Raad van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers(4). Deze voorschriften vormen derhalve een onlosmakelijke aanvulling op deze verordening en moeten gelijktijdig daarmee worden toegepast.

  20. Deze verordening handelt niet over rechtsgebieden zoals het fiscaal recht, het mededingingsrecht, het recht inzake intellectuele eigendom, het insolventierecht. De wettelijke voorschriften van de lidstaten en de bepalingen van het Gemeenschapsrecht zijn bijgevolg van toepassing op deze en andere niet door deze verordening bestreken terreinen.

  21. Richtlijn 2001/86/EG strekt ertoe de werknemers een recht te verzekeren om een rol te spelen inzake aangelegenheden en besluiten die van invloed zijn op het bestaan van de SE. Voor de andere aangelegenheden met betrekking tot het sociaal recht en het arbeidsrecht, zoals het in de lidstaten georganiseerde recht op informatie en raadpleging van de werknemers, gelden de nationale voorschriften die in dezelfde gevallen op naamloze vennootschappen van toepassing zijn.

  22. De inwerkingtreding van deze verordening behoeft uitstel om elke lidstaat in de gelegenheid te stellen de bepalingen van Richtlijn 2001/86/EG in zijn nationaal recht te verwerken en vooraf de nodige mechanismen te creëren om de oprichting en werking van SE's met statutaire zetel op zijn grondgebied te kunnen waarborgen, een en ander op zodanige wijze dat verordening en richtlijn gelijktijdig kunnen worden toegepast.

  23. Aan een vennootschap die haar hoofdbestuur niet in de Gemeenschap heeft, moet worden toegestaan deel te nemen aan de oprichting van een SE op voorwaarde dat die vennootschap overeenkomstig het recht van een lidstaat is opgericht, haar statutaire zetel in die lidstaat heeft en een daadwerkelijk en duurzaam verband met de economie van een lidstaat heeft overeenkomstig de beginselen van het Algemeen Programma van 1962 voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging. Een dergelijk verband bestaat in het bijzonder indien een vennootschap een vestiging in die lidstaat heeft en van daaruit transacties verricht.

  24. De SE dient de mogelijkheid te hebben haar statutaire zetel naar een andere lidstaat over te brengen. Een passende bescherming van de belangen van minderheidsaandeelhouders die tegen de zetelverplaatsing zijn, van schuldeisers en van houders van andere rechten moet in verhouding zijn. De zetelverplaatsing mag geen afbreuk doen aan de rechten die zijn ontstaan vóór de verplaatsing.

  25. Deze verordening doet geen afbreuk aan enige bepaling die zou worden opgenomen in het Verdrag van Brussel van 1968, of in een door de lidstaten of door de Raad aan te nemen tekst ter vervanging van dat verdrag, betreffende de collisieregels welke van toepassing zijn in geval van overbrenging van de statutaire zetel van een naamloze vennootschap van een lidstaat naar een andere lidstaat.

  26. De werkzaamheden van financiële instellingen zijn gereglementeerd bij specifieke richtlijnen. De ter uitvoering van die richtlijnen vastgestelde nationale wetgeving en aanvullende nationale voorschriften tot reglementering van die werkzaamheden zijn volledig op een SE van toepassing.

  27. Rekening houdend met het specifieke en communautaire karakter van de SE, laat de bij deze verordening voor de SE vastgestelde regeling inzake de werkelijke zetel de wetgevingen van de lidstaten onverlet en loopt zij niet vooruit op de keuzen die voor andere communautaire teksten op het gebied van vennootschapsrecht kunnen worden gemaakt.

  28. Het Verdrag voorziet voor de vaststelling van deze verordening niet in andere handelingsbevoegdheden dan die van artikel 308.

  29. Omdat de hierboven beschreven doelstellingen van de voorgenomen maatregel onvoldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, aangezien het doel is de SE op Europees niveau tot stand te brengen, en derhalve gezien de reikwijdte en de weerslag van de maatregel beter op het niveau van de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te bereiken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

1.

Onder de voorwaarden en op de wijze, bepaald in deze verordening, kunnen op het grondgebied van de Gemeenschap vennootschappen worden opgericht in de vorm van een Europese naamloze vennootschap (Societas Europaea, hierna afgekort SE te noemen).

2.

De SE is een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal. Elke aandeelhouder verbindt zich slechts tot het bedrag van zijn inbreng in het kapitaal.

3.

De SE bezit rechtspersoonlijkheid.

4.

De rol van de werknemers in een SE is onderworpen aan het bepaalde in Richtlijn 2001/86/EG.

Artikel 2

1.

Naamloze vennootschappen opgenomen in bijlage I die overeenkomstig het recht van een lidstaat zijn opgericht en hun statutaire zetel en hoofdbestuur in de Gemeenschap hebben, kunnen via fusie een SE oprichten indien ten minste twee van die vennootschappen onder het recht van verschillende lidstaten ressorteren.

2.

Naamloze vennootschappen en vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid opgenomen in bijlage II die overeenkomstig het recht van een lidstaat zijn opgericht en hun statutaire zetel en hoofdbestuur in de Gemeenschap hebben, kunnen het initiatief nemen tot de oprichting van een holding-SE, indien ten minste twee van die vennootschappen:

  1. onder het recht van verschillende lidstaten ressorteren, of

  2. elk sinds ten minste twee jaar een dochtervennootschap hebben die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert, dan wel een bijkantoor dat in een andere lidstaat gelegen is.

3.

Vennootschappen in de zin van artikel 48, tweede alinea, van het Verdrag, alsmede andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke lichamen die overeenkomstig het recht van een lidstaat zijn opgericht en hun statutaire zetel en hoofdbestuur in de Gemeenschap hebben, kunnen een dochter-SE oprichten door de aandelen ervan te verkrijgen, indien ten minste twee van die vennootschappen:

  1. onder het recht van verschillende lidstaten ressorteren, of

  2. elk sinds ten minste twee jaar een dochtervennootschap hebben die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert, dan wel een bijkantoor dat in een andere lidstaat is gelegen.

4.

Een naamloze vennootschap die overeenkomstig het recht van een lidstaat is opgericht en haar statutaire zetel en hoofdbestuur in de Gemeenschap heeft, kan in een SE worden omgezet indien zij sinds ten minste twee jaar een dochtervennootschap heeft die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert.

5.

Een lidstaat kan bepalen dat een vennootschap die haar hoofdbestuur niet in de Gemeenschap heeft, kan deelnemen aan de oprichting van een SE, op voorwaarde dat zij overeenkomstig het recht van een lidstaat is opgericht, haar statutaire zetel in die lidstaat heeft en een daadwerkelijk en duurzaam verband met de economie van een lidstaat heeft.

Artikel 3

1.

Voor de toepassing van artikel 2, leden 1, 2 en 3, wordt de SE beschouwd als een naamloze vennootschap die beheerst wordt door het recht van de lidstaat waar zij haar statutaire zetel heeft.

2.

Een SE kan zelf één of meer dochtervennootschappen in de vorm van een SE oprichten. De voorschriften van de lidstaat waar de dochter-SE haar statutaire zetel heeft, volgens welke een naamloze vennootschap meer dan één aandeelhouder moet hebben, zijn niet van toepassing op de dochter-SE.

De nationale voorschriften vastgesteld ter uitvoering van Twaalfde Richtlijn 89/667/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake het vennootschapsrecht betreffende eenpersoonsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid(5) zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

TITEL II OPRICHTING

Afdeling 1 Algemeen

Artikel 15

Artikel 16

Afdeling 2 Oprichting van een SE via fusie

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 31

Afdeling 3 Oprichting van een holding-SE

Artikel 32

Artikel 33

Artikel 34

Afdeling 4 Oprichting van een dochter-SE

Artikel 35

Artikel 36

Afdeling 5 Omzetting van een bestaande naamloze vennootschap in een SE

Artikel 37

TITEL III STRUCTUUR VAN DE SE

Artikel 38

Afdeling 1 Dualistisch stelsel

Artikel 39

Artikel 40

Artikel 41

Artikel 42

Afdeling 2 Monistisch stelsel

Artikel 43

Artikel 44

Artikel 45

Afdeling 3 Voorschriften die het monistische en het dualistische stelsel gemeen hebben

Artikel 46

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 49

Artikel 50

Artikel 51

Afdeling 4 Algemene vergadering

Artikel 52

Artikel 53

Artikel 54

Artikel 55

Artikel 56

Artikel 57

Artikel 58

Artikel 59

Artikel 60

TITEL IV JAARREKENING EN GECONSOLIDEERDE JAARREKENING

Artikel 61

Artikel 62

TITEL V ONTBINDING, LIQUIDATIE, INSOLVENTIE EN STAKING VAN DE BETALINGEN

Artikel 63

Artikel 64

Artikel 65

Artikel 66

TITEL VI AANVULLENDE BEPALINGEN EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 67

TITEL VII SLOTBEPALINGEN

Artikel 68

Artikel 69

Artikel 70

BIJLAGE INAAMLOZE VENOOTSCHAPPEN BEDOELD IN ARTIKEL 2, LID 1

BIJLAGE IINAAMLOZE VENNOOTSCHAPPEN EN VENNOOTSCHAPPEN MET BEPERKTE AANSPRAKELIJKHEID, BEDOELD IN ARTIKEL 2, LID 2